Het is geen hartelijke ontvangst die ons wacht in de hoofdstad van de Maroons. Ik heb ooit Moore Town bezocht, het Maroondorp in Portland, en daar werden we verwelkomd door de Colonel, zoals de traditie het wil. Op zijn kantoor hing de vlag van Ghana en een foto van Kwame Nkrumah, de eerste president van het eerste land ten zuiden van de Sahara dat zich ontdeed van het juk van de kolonisering. Ghana wordt tegenwoordig weleens het tweede Jamaica genoemd, omdat er zoveel Jamaicanen wonen. Hun voorouders waren vaak afkomstig van de Goudkust, zoals de regio rond Ghana toen nog genoemd werd.
Repatriation, noemen de rasta's dat. De terugkeer naar het moederland, Afrika. De meeste Maroons waren overigens afstammelingen van de Cromanti, slaven die gepasseerd waren langs het gelijknamige fort aan de Goudkust, en die bekend stonden om hun rebelse spirit.


Toen, in Moore Town, konden we voor de rest gewoon vrij rondlopen. Een man vertelde een verhaal over Nanny, in de 18de eeuw de leidster van de Windward Maroons, die zich vooral ophielden in de Blue Mountains en de John Crow Mountains in het oosten. Nanny is een van de vijf nationale helden in Jamaica, ook al was de rol van de Maroons in de slaventijd niet geheel onomstreden. Sommige onder hen werkten samen met de Britse overheerser om ontsnapte slaven terug naar de plantages te brengen. Volgens onze man in Moore Town kon Nanny kogels afschieten met haar intieme kanon, en hij wees naar de berg vanwaar ze dat destijds zou gedaan hebben. Het was kortom een leerrijke en ongedwongen kennismaking met de Maroons, die een verlengstuk kreeg in de plaatselijke open bar, waar we getuige waren van een luidruchtig potje ludi, een soort Caribische domino. Niemand die ons een blik waardig gunde maar dat maakte het natuurlijk zo authentiek.
Ook in Accompong zouden we naar aloude gewoonte eerst de Colonel om toestemming moeten vragen om het dorp te betreden. We hebben vanuit Montego Bay ruim 2,5 uur gereden, over eindeloos kronkelende wegen met prachtige uitzichten over de heuvels en bergen van Cockpit Country. Steeds hoger ging het, en verder dan je ooit zou vermoeden als je de kaart van Jamaica ziet. We hebben geen gps maar dat kan onze vriend en chauffeur Commander niet deren. Voor hem is het hele land één grote Google Maps, met de plaatselijke bewoners als wegwijzers. Jammer dat de laatste man die hij aanspreekt ons een veredeld junglepad opstuurt in plaats van de courante weg, waardoor de rit nog langer uitloopt en ik bijna mijn geduld verlies. Ik neem mij alvast voor om niet in te gaan op de voorstellen van de plaatselijke tour guides die ons volgens The Rough Guide waarschijnlijk staan op te wachten. We willen voor het donker thuis zijn en ik heb al zoveel gelezen over de Maroons dat ik niet meer zit te wachten op een rondleiding. We zullen zo wel wat rondlopen.
Accompong verschilt op het eerste gezicht niet veel van de andere dorpen waar we zijn doorgereden, Retirement, Springfield, Jointwood, Niagara, om maar de meest markante namen te noemen. Wat groter misschien, meer gespreid ook, maar even organisch gegroeid, uitdijend van een centraal punt, met grote stukken groen, braakliggende grond en onafgewerkte gebouwen. Twee winkeltjes in een houten shack, een paar kleine bars, een sober restaurantje. Her en der hangen mannen rond, jong en oud, de meeste met een diepe donkere huidskleur. Hier zijn de Afrikaanse genen minder vermengd met Europese en Aziatische.
We zijn nog niet uitgestapt, of een man spreekt ons al aan. "I'm the Chief," zegt hij. "Are you the Colonel?", vraag ik. "No, I'm the Chief. No Colonel. Tour costs 5000 Jamaican dollar." Dan kijkt hij naar Commander, met een dreigende blik: "Maar eerst moet ik geld hebben om rum te kopen. Geef me duizend."
U moet weten: Commander is een bijzondere figuur. Altijd volledig in het wit gekleed, ook de tulband op zijn hoofd, en een indrukwekkende pittenketting om de hals met een groot Ethiopisch kruis. Hij heeft ook altijd een lange, witgeschilderde stok bij, met bovenaan een primitief geschilderd (goden?)hoofdje en pluimen als haren. Commander noemt het zijn African stick, waarmee hij positieve energie aantrekt en negatieve energie afstoot. Overal waar we komen, herkennen de mensen in hem een echte Elder, een rastaman die zich een diepe spiritualiteit heeft eigen gemaakt en het hoogste respect verdient. Zonder dat het afbreuk doet aan zijn open en goedlachse persoonlijkheid. Commander is in de eerste plaats een typische Jamaicaan, in de beste betekenis van het woord.
Maar hier stuit hij plots op een soort weerstand. De Chief gaat vlak voor hem staan en kijkt Commander recht in de ogen. Hij mompelt iets wat ik niet versta, Commander zwijgt. Zo ernstig heb ik hem nog nooit gezien. Ze blijven een paar minuten onbewogen staan, face to face. De jongeman die de Chief heeft weggestuurd met mijn 1000 JA keert terug met een klein flesje rum, hij geeft me 200 wisselgeld. De Chief zegt dat we met hem moeten meekomen, een paar meter verder, weg van de andere mannen die intussen zijn komen opdagen. Commander is nog altijd in een soort boze, onderdanige trance. De Chief neemt een slok en spuwt de rum in Commanders gezicht. Met de rest van het flesje besprenkelt hij hem op zijn hoofd, op zijn armen, op zijn benen, in zijn kruis, in zijn nek, terwijl hij weer iets onverstaanbaars zegt, iets dat Afrikaans klinkt. In Haïti en New Orleans zouden ze dit voodoo noemen, hier is het obeah.
"Say freedom," beveelt de Chief Commander. "Freedom," zegt Commander. "Louder!" Commander herhaalt het woord nu iets luider. "Louder!" Commander hervindt zijn kracht en brult: "Freedom!" De Chief maakt een afrondend gebaar en richt zich tot ons, eerder plichtmatig dan met overtuiging. Ook wij krijgen een beetje rum in de nek en op de armen. We zullen nog de hele dag naar alcohol ruiken, niet echt van mijn gewoontes.
"Tour costs 5000 Jamaican dollar," herhaalt de Chief, en hij houdt nadrukkelijk zijn hand open, terwijl hij met de andere hand een man aanmaant om tot bij ons te komen. "Your guide," zegt de Chief. Net op dat moment stopt er nog een auto met witte bezoekers, een man en twee vrouwen. Zij hebben blijkbaar een afspraak gemaakt want een derde man voegt zich onmiddellijk bij hen en begint aan de rondleiding. Algauw beseffen we dat hij de echte tour guide is, een man die honderduit vertelt over de geschiedenis van Accompong en de enkele plekken die we bezoeken. Onze man weet niets, dat zegt hij ook zelf, zonder schaamte of scrupules. We sluiten gewoon aan bij het andere (Tsjechische) gezelschap en voelen ons licht bekocht. Ja, ik heb die 5000 JA betaald, ook al had ik me voorgenomen om het niet te doen. Wat is het alternatief? Het dorp bezoeken in een vijandige sfeer? Uiteraard zou iedereen het terstond weten als je niet betaald zou hebben, daarvoor hebben de Maroons geen sociale media nodig. Of anders meteen weer wegrijden maar dat zou jammer zijn, als je zo lang onderweg bent geweest.


We gunnen het die mensen ook maar ze zouden wel wat meer respect kunnen tonen voor de schaarse bezoekers, en hun historisch erfgoed wat meer in ere houden. Er zijn verschillende muurschilderingen, onder andere van de vijf National Heroes van Jamaica, maar de eens felle kleuren hebben al hun pracht en kracht verloren, en de verf bladdert af. De grote Parade Ground, vroeger het militaire oefenterrein van de Maroons en de plaats waar recht werd gesproken, is nu de zielloze speelplaats van het schooltje. Hier en daar staat een bordje met historische uitleg.
Een mooi dreefje, aan één kant afgebakend door een ondoordringbaar kluwen van wortels, brengt ons eerst bij het rudimentaire houten beeld van een Maroon-krijger, en dan op een open plek met een verbluffend uitzicht over Cockpit Country. In het midden staat een indrukwekkende oude mangoboom, met wortels die zich boven de grond meterslang uitstrekken. De Kindah Tree zou meer dan 300 jaar oud zijn, en op deze plaats zou Cudjo, de leider van de Trelawny Maroons ooit vergaderd hebben met Nanny, zijn evenknie uit de Blue Mountains. "Dit was hun kantoor," zegt de gids. Cudjo was ook de man die na de eerste Maroon-oorlog in 1739 een verdrag sloot met de Britten, waardoor zijn volk niet alleen 1500 aren land kreeg toegewezen maar ook een grote vorm van autonomie en een eigen rechtspraak. Die status genieten de Maroon-dorpen nog altijd. Ze hebben hun eigen afgevaardigden in het parlement en elk jaar op 6 januari vindt hier het Accompong Maroon Festival plaats, met de eerste minister en tal van buitenlandse VIP's als eregasten. Accompong is overigens niet vernoemd naar de gelijknamige stad in Ghana maar naar de broer van Cudjo.
Lang niet alle Maroons hadden het geluk om hier te blijven wonen. Na de tweede Maroon War in 1795 werden 500 Trelawny Maroons eerst gedeporteerd naar het barre Nova Scotia, en vervolgens naar Sierra Leone, aan de Afrikaanse westkust. Een aantal van die Maroons is in 1841 "teruggekeerd" naar Jamaica, en maakte zo weer een andere historische cirkel rond.
Ik bouw een spliff op de wortels van de Kindah-boom. Commander is nu weer helemaal zichzelf en laat zich fotograferen samen met de boom en zijn African stick. Ik zie nu ook in hem een geestelijke erfgenaam van Nanny en Cudjo, een trotse krijger trouw aan zijn Afrikaanse roots. De gids, black like tar, met een woest, natuurlijk Afrokapsel, vertelt over de oorlog tegen de Engelsen en de ganjavelden die de Maroons blijkbaar op een boogscheut van hier onderhouden.
Op de terugweg komen we een jongeman tegen die zich voorstelt als Lance. We raken aan de praat en hij heeft een heel andere visie op de geschiedenis. In eerste instantie waren het Afrikaanse koningen die de slaven hebben verkocht aan de blanken, weet hij. En dat de Britten de Maroons de kans hebben gegeven om na de afschaffing van de slavernij suikerriet te verhandelen maar dat ze dat aanbod genegeerd hebben. "Het is onze eigen schuld dat we sindsdien amper economische vooruitgang hebben gekend." Een Jamaicaan die de historische hand in eigen boezem steekt: je komt ze niet elke dag tegen.
Het loopt al tegen vieren en we hebben nog een heel eind terug te rijden. De lokale horeca zal zonder ons ook wel overleven, en we hebben hier al genoeg geld uitgegeven voor het weinige dat we hebben teruggekregen.
We rijden terug langs de gewone weg en het valt ons op dat die in uitstekende staat verkeert. Nauwelijks potholes of brokstukken op de weg, wat op de paar hoofdwegen na nog altijd uitzonderlijk is in Jamaica. Commander weet hoe dat komt. Ten eerste krijgen de Maroons extra geld om hun gemeenschap te onderhouden en blijkbaar wordt dat geld hier ook daadwerkelijk gebruikt voor het nut van het algemeen. In andere dorpen steken politici de subsidies vaak in eigen zak en blijven de wegen jarenlang onbeheerd achter. Zeg maar de meeste wegen op het eiland. Het is onvoorstelbaar hoe moeilijk grote delen van Jamaica en zelfs van bepaalde gated communities bereikbaar zijn. Tien kilometer die je hier in een paar minuten aflegt, kosten je daar algauw een uur rijden.
Het is al donker als we Montego Bay weer binnen rijden en we scheuren van de honger. Sinds de verrukkelijke porridge die Commander vanmorgen voor ons bereid heeft, hebben we alleen maar een paar crackers gegeten. In de oude stad zou een ital restaurant zijn maar dat blijkt al gesloten. We besluiten om dan maar meteen voor het andere uiterste te gaan: Tracks & Records op Hipster Avenue, in feite Jimmy Cliff Boulevard, de toeristische strook langs de waterkant. Eigendom van Usain Bolt, in Kingston is er ook een vestiging. Plots zitten we in de States, zo lijkt het wel, hoewel er daar in de sports bars geen vinylplaten tegen de muur hangen, singles, LP's en maxi's van alle mogelijke Jamaicaanse labels, en geen dancehall weerklinkt. Maar de vibes zijn Amerikaans, met al die sport op grote schermen, vlotte obers en junkfood menu's. Niks veggie, geen verse sapjes of fruit. Wel burgers en Buffalo wings, en frisdrank uit een darm. Commander eet niets, wij verorberen iets onbestemds met kip. Onze honger hebben we tenminste kunnen stillen.
In de patio van Tracks & Records staan twee standbeelden. Bob Marley kijkt een beetje krampachtig, de vuisten strak gespannen, één been voor eeuwig bevroren in de lucht. Zijn jasje is blauw maar het is geen jeans. Zijn dreadlocks beginnen ergens halverwege het al te grote voorhoofd. Dan is het beeld van Usain Bolt beter geslaagd, helemaal opgetrokken uit bouten ("bolts"), met enkele artistiek aangebrachte gele, groene en zwarte stukken spiegelglas, in de typische boogschuttershouding. Het beeld heeft iets van de Maroon-krijger in Accompong, dezelfde trots, dezelfde kracht, dezelfde geschiedenis. Toch blij dat ik er geweest ben.
Foto's: © Route 876 Tours & Jah Shakespear