
By Katrien van der Aa & Rubi Roots
Rototom Sunsplash staat dit jaar volledig in het teken van de vijftigste verjaardag van de Jamaicaanse muziek, en dat werd de eerste dagen al uitgebreid in de verf gezet.
Met Derrick Morgan begon het festival donderdag met één van de leidende figuren uit de begindagen van de (muzikale) onafhankelijkheid in Jamaica. Hij was reeds een ster op het eiland wanneer de Amerikaanse rythm and blues geïmporteerd werd, en wordt beschouwd als één van de grondleggers van de ska en de iets tragere rocksteady die daaruit voortvloeiden. Dat werd dan ook volledig vertaald in zijn repertoire, met enerzijds ska-nummers als 'Miss Lulu' en 'Don't Call Me Daddy', en anderzijds rocksteady classics als 'The Conqueror' en 'Rudies Don't Fear'.
"Do you know Bob Marley?", was een vraag die hij hier natuurlijk niet moest stellen. Wat volgde was een medley van 'Put It On' met '007' van Desmond Dekker. Op de Real Rock riddim werd de Engelse Ruff Cut Band voorgesteld, en tot slot zong hij 'Fatman' en '54-46 That's My Number', een cover van Toots & The Maytals, wat Marcia Griffiths op zaterdag nog eens zou herhalen.
One Love Hi Powa uit Rome, mee overgewaaid met de organisatie uit Italië, zorgde tussendoor voor de nodige new roots vibes om Beres Hammond in te leiden, die altijd een kwalitatieve show aflevert (zoals onlangs ook in Antwerpen en Garance), begeleid door zijn eigen Harmony House Band, letterlijk de huisband van zijn persoonlijke studio en label, waarmee hij niet alleen zijn eigen producties verzorgt, maar ook die van andere Jamaicaanse grootheden en opkomende talenten, zoals Jah Cure.
Heel wat liefdesliedjes natuurlijk, met 'What Can You Do To Stop A Man From Trying', 'She Loves Me Now', 'I Wish You Would Stay Longer', 'Another Date' en 'Tempted To Touch', in combinatie met nummers als 'Step Aside' en het langgerekte 'Putting Up A Resistance', waarop Beres een poosje ging uitblazen in de coulissen en de muzikanten zich even mochten laten gaan. Hij kwam terug voor 'I Feel Good', 'They Gonna Talk' en 'Come Down Father', voor hij afscheid nam met het emotionele 'Rockaway', een eerbetoon aan wijlen Alton Ellis, Peter Tosh, Jacob Miller en Bob Marley. Those were the days…
Sly Dunbar & Robbie Shakspeare vormen zonder enige twijfel de populairste ritmesectie uit de geschiedenis van de reggae, en werkten mee aan ontelbare albums van talloze artiesten. Op Rototom mochten zij eens uit de schaduw treden en andermaal hun kunnen demonstreren. Sly zat zoals gewoonlijk verscholen achter zijn drumstel, nogal routineus jammend, terwijl Robbie op bass alle aandacht naar zich toe trok (hij waagde zich zelfs aan zang!), maar het was toch vooral de 80-jarige Ernest Ranglin die het geheel naar een hoger niveau tilde met zijn onnavolgbare gitaarsolo's, en dat leverde enkele sublieme instrumentale momenten op. Om gezondheidredenen moest toetsenist Monty Alexander, die andere jazzlegende uit Jamaica, verstek laten gaan, en werd hier – net als op Garance – vervangen door Tyrone Downie, ex-pianist van the Wailers.
Na geruime tijd mocht special guest Bitty McLean nog even opdraven en zijn bekendste hits opvoeren: 'Never Let Me Go', 'Walk Away From Love' en 'Dedicated To The One I Love', dat opgedragen werd aan de onlangs overleden Ranking Trevor. "Finally!", hoorde ik sommigen (terecht) zeggen, en hij had gerust ook wat meer tijd mogen krijgen…
Vervolgens waren alle ogen gericht op de reünie van Morgan Heritage, de kroost van Denroy Morgan (niet te verwarren met Derrick), en met 'Don't Haffi Dread To Be Rasta' hadden ze de wei (parking) meteen helemaal mee. Het was duidelijk dat de samenzang en het samenspel tussen Peetah, Gramps, Una, Luke en Mojo Morgan nog steeds uitstekend is, alsof ze nooit zijn weggeweest, maar ze speelden misschien net iets te veel op automatische piloot. We kregen more rockers voorgeschoteld met riddims als One to One ('A Man Is Still A Man'), Changes ('Them Cyaan Get We Out') en Nine Eleven ('Hail Rastafari'), en uiteraard Liberation. Daarbij mocht de jongere broer van LMS het luid meegebrulde 'Never' komen brengen, alsook 'Jah Jah City' van Capleton, en zo kregen we de volledige succesriddim te horen die begin 2000 de opkomende new roots op de wereldkaart zette.
De familiale hereniging werd gesymboliseerd toen de broers Peetah en Gramps hand in hand op het podium stonden en Gramps even de rol van lead zanger op zich nam, terwijl Mojo zich ontfermde over het keyboard, waarna ze samen het toepasselijke 'Reggae Bring Back Love' inzetten.
Cham liet daarna de dancehall een eerste keer ontploffen en opende onmiddellijk met 'Ghetto Story', nadat hij bombastisch werd ingeleid door Jugglerz uit Duitsland, een afsplitsing van Sentinel Sound. Zij hadden de massive reeds onder stoom gebracht met onder meer de recente dubstep-wereldhit 'Make It Bun Dem', een samenwerking tussen Damian Marley en de Amerikaanse producer Skrillex. Ook uit de Dub Station klonken de eerste avond opvallend veel dubstep en dancehall geluiden met het Schotse Mungos Hi-Fi en de onuitputtelijke Soom T als vrouwelijke MC, niet meteen de muziek die je hier zou verwachten. De warmup door Dread Movement uit Italië kon ons alleszins meer bekoren.
Het concert van Michael Rose werd traditiegetrouw gekenmerkt door een afwisseling tussen nummers van Black Uhuru, waarvan Michael Rose de frontzanger was tussen 1977 en 1985, en eigen tunes uit zijn solocarrière. Met een resem van zijn recente releases op moderne dancehall riddims bewees hij andermaal dat hij zich - als één van de enige rootszangers van zijn generatie - succesvol heeft aangepast aan de nieuwste trends in de Jamaicaanse muziekcultuur, maar op vrijdag keek iedereen toch vooral uit naar de show van Alborosie, de Italiaanse reggaester die voor de gelegenheid enkele vrienden en vriendinnen meebracht. Het talrijke publiek werd opgewarmd door Ikaya, een zangeres uit Kingston, en de sfeer zat er meteen in.
Puppo Albo zweepte hen daarna op met hits als 'No Cocaine' en 'Herbalist'. Ondertussen vond hij ook de tijd om het publiek te entertainen door met zijn dubbele dreadlock te zwaaien en boegeroep uit te lokken aan het adres van Berlusconi. Zoals gewoonlijk werd hij bijgestaan door de Shengen Clan. De muzikanten zijn duidelijk al goed op elkaar ingespeeld en hielden een strak tempo aan. Net als op Reggae Geel kregen we opnieuw de Godfather-intro te horen als originele opera-inleiding op 'International Drama'. Tussen tracks als 'Irusalem', 'Still Blazing' en 'Slam Bam Door', was het nog even de beurt aan de achtergrondzangeres, waarna Michael Rose op het podium verscheen om samen 'Waan Di Herb' te zingen. Hij vergaste ons ook nog op 'Stalk Of Sensimilia' om dan weer te verdwijnen.
Alborosie had amper de tijd om 'Kingdom Of Zion' af te sluiten of daar kwam Mellow Mood al aandraven. De menigte werd helemaal wild met 'Police Polizia', waarna Albo zijn kunsten op de basgitaar etaleerde. Etana, door Albo aangekondigd als zijn sister en "...the most beautiful woman in the world!", zong een ontroerende versie van 'Blessings', gevolgd door een saxofoonsegment. Ky-mani Marley mocht als laatste gast een ode brengen aan zijn vader met 'Natural Mystic' en 'One Love', alvorens Alborosie afsloot met zijn bekendste nummer 'Kingston Town'. Opmerkelijk dat hij 'Free Rototom' niet had opgenomen in de setlist, toch een tune speciaal gemaakt voor dit Italiaanse festival op Spaanse bodem.
Om het Jamaicaanse onafhankelijkheidsfeestje nog meer gestalte te geven, kwam Marcia Griffiths – gekleed in de kleuren van de Jamaicaanse vlag – zaterdag een historische muziekles geven, met achtereenvolgens covers van Desmond Dekker ('Israelites'), Millie Small ('My Boy Lollipop'), Toots & The Maytals ('54-46, That's My Number'), Culture ('See Dem A Come') en Sugar Minott ('Herbsman Hustling'), naast haar eigen 'Feel Like Jumping'. Ze vernoemde nog enkele iconen uit de Jamaicaanse reggaegeschiedenis die ze hier graag op het podium had gehad om mee te vieren. "All dead and gone, but their spirit is here!", verzekerde ze ons.
Na de vermelding van Peter Tosh riep ze diens zoon Andrew op het podium. Na twee nummers ('African' en 'Glass House') werd hij vergezeld door cousin Ky-mani Marley en kon het drietal beginnen aan een tribute to Bob Marley & The Wailers. Veel dichter bij de oorspronkelijke Wailers konden we natuurlijk niet komen, met de twee zonen die de stukken van hun vader vlekkeloos nazongen, en Marcia als originele achtergrondzangeres, al verraadde het vele overleggen tussendoor dat ze op voorhand niet veel geoefend hadden, maar dat kon de pret niet bederven. Het was van begin tot einde meezingen met klassiekers als 'Trenchtown Rock', 'Small Axe' en 'Get Up, Stand Up'.
Bij 'Rastaman Chant' zorgden Ky-mani en Andrew eigenhandig voor het nyahbinghi ritme en hadden ze graag Michael Rose en Freddie Mc Gregor erbij gehad, maar geen van beiden beantwoordde hun lokroep, en op laatstgenoemde was het dus nog even wachten. Andrew Tosh mocht nog 'Legalize It' brengen, en Marcia nam het voortouw bij 'Three Little Birds', alvorens ze het gezamenlijke concert op mooie wijze afrondden met 'Could You Be Loved'. Alleen jammer dat er geen ruimte bleek te zijn voor eigen songs van Ky-mani Marley, maar we waren hoe dan ook enorm verwend, en ook het laatste optreden van de dag was om duimen en vingers van af te likken. Met zijn unieke stemgeluid en uitstraling bracht Freddie McGregor ons meermaals in vervoering. Hits als 'To Be Poor Is A Crime', 'Push Come To Shove' en 'Big Ship' passeerden de revue. Met een original hardcore Studio 1 hoofdstuk stond ook hij stil bij de 50ste verjaardag van de Jamaicaanse muziek, "...not talking about Bounty Killer and Vybz Kartel", een duidelijk statement! Om het feestje compleet te maken mocht de ervaren Rory van Stone Love, het meest gerenommeerde sound system in Jamaica, de dancehall afsluiten en dat deed hij zoals gewoonlijk met verve. Happy Birthday, Jamaica!

Katrien van der Aa & Rubi Roots
Aug 19, 2012