Reggae.be
Stephen Marley: the family saga continues
Roots & CultureJun 04, 2011

Stephen Marley: the family saga continues

By Jah Shakespear

Stephen Marley zit al 30 jaar in de muziek maar heeft nu pas zijn tweede soloalbum uit. Het is een instant klassieker, en de ultieme bevestiging van het talent dat hij al die tijd ten dienste heeft gesteld van zijn schijnbaar zoveel succesrijkere broers.

De eerste keer dat ik zijn stem hoorde, was op Play the game right, de debuutplaat van The Melody Makers 'featuring Ziggy Marley'. Stephen had de baard nog niet in de keel maar kon al een aardig stukje toasten,krachtiger en meer volwassen dan Billy Boyo, Junior Pumpkin en andere kinderen die wel eens opdoken in de reggae.

En toen veranderde zijn stem. Wij vonden al dat Ziggy klonk als Bob maar Stephen Marley kwam nog dichter bij zijn vader. Zeker als hij zong, wat hij plots ook voortreffelijk bleek te kunnen. Bovendien bleken de beste nummers op de platen van (intussen) Ziggy Marley & The Melody Makers afkomstig van zijn hand, soms samen met die van grote broer. A who a seh op het hitalbum Conscious party (1988). Black my story op Bright day (1989). Raw riddim en Good time op het grensverleggende Jahmekya (1991). Het visionaire Water and oil en de ondeubbelzinnige protestsongs Hand to mouth en Keep on op het onderschatte Free like we want 2 be. Everyone wants to be (featuring Wyclef), Postman, Born to be lively en het zalige Jah bless op Fallen is Babylon (1997).

Maar dat was nog maar het voorspel. Rechtgeaarde family man die hij is, besloot Stephen midden jaren '90 dat het tijd was om ook de jongere Marleys in het bad te trekken. Hij produceerde de eerste albums van Damian (Mr Marley, 1996) en Julian Marley (Lion in the morning, 1996), en was het brein achter het wereldwijde succes van Welcome to Jamrock, de hit èn het hitalbum. Als de jaren '80 en '90 Ziggy toebehoorden (na de jaren '70 van zijn vader), dan waren de jaren '00 voor Damian.

Via Wyclef en Lauryn Hill (nu gehuwd met Rohan Marley) van The Fugees raakte Stephen ook geïntroduceerd in hiphopkringen. Hij maakte duetten met The Fugees (een versie van No woman no cry op de Refugee Camp Bootleg Versions), Erykah Badu, Mr Cheeks en Nelly. Chant Down Babylon was een gedurfde hiphop mash-up van Bobs muziek, met notoire gasten als Steven Tyler, Guru, Rakim, The Roots en Busta Rhymes. Geen doorslaand succes maar wel een overtuigende demonstratie van Stephens creativiteit en productietalent.

Het heeft geduurd tot 2007 voor Stephen Marley zijn eerste soloalbum uitbracht. Mind control won dat jaar terecht de Grammy van beste reggaealbum. Op het ambitieus getitelde Revelation Part 1 – The root of life diept Stephen zijn eigentijdse rootsreggae verder uit. Dit zou wel eens zijn eigen Sergeant Pepper's  kunnen worden, of Exodus, het pièce de résistance van zijn vader.

Made in Africa begint als meditatieve nyahbinghi jazz, opgesmukt met oude nieuwsfragmenten over Haile Selassie. Stephen Marley zingt het hartverscheurende verhaal van de slavernij in ongewoon poëtische bewoordingen, ondersteund door het koor van de musical Fela (over het leven van Fela Kuti). Halverwege de tune drijft de Amerikaanse rapper Wale het tempo even op en lijken we plots te luisteren naar een outtake van Distant relatives (Nas & Damian Marley). Featuring de oude vos Bongo Herman.

False friends  had even goed op Mind control  kunnen staan, naast Chase dem met name, ook klassieke one drop in de traditie van Bob. Met Aston Barrett Junior op drums, even strak als zijn vader nog altijd de basgitaar speelt met The Wailers. In alle andere tracks horen we Wilburn Cole drummen, de vaste man van The Melody Makers. Break us apart houdt die trage roots beat lekker aan. Sticky Thompson strooit er wat fijne percussie overheen, Capleton mag uithalen naar corrupte krachten. Stephen zingt beter dan hij ooit gedaan heeft.

Tijd om de snelheid wat op te drijven met Can't keep I down, een huppelend ritme dat op de hielen wordt gezeten door een kriebelende mondharmonica.

No cigarette smoking in my room is een verhulde ganja tune. 'No cigarette smoking in my room/No alchohlic beverage in my room/Juju gave me a boom draw this afternoon/And im gonna get a next portion real soon/l'll be gone for a while/Keep that perfect smile/Do your very best.' Maar het is ook lovers rock, met ene Melanie Fiona als verleidelijke gaststem.

Freedom time: 'written by Bob Marley'. Nog nooit gehoord nochtans. Even Yuotube gecheckt, en ja hoor: een oude Studio One 7". Doet een beetje denken aan Rude boy, zoals de cover van Stephen. Schitterende song, in beide versies.

Jah Army heb ik voor het eerst gehoord bij David Rodigan in Hotel Jamaica, februari van dit jaar. Een version van General Penitentiary (Black Uhuru, of eigenlijk Sly & Robbie – heeft een Marley al ooit een riddim van Sly & Robbie gebruikt?), met Damian Marley in de toastende hoofdrol. Buju Banton was er in die eerste singleversie of in de clip nog niet bij maar komt hier plots zijn onmacht uitschreeuwen over zijn arrestatie, en waarom hij Stephen Marley zo dankbaar is. Alweer een grote tune.

In Old slaves horen we letterlijk de ketens en de ritmische werkkoren van de slaven. Het is een thema dat Stephen blijkbaar nog altijd even sterk bezighoudt als de eerste generaties rasta's. Pale moonlight (How many times) is onversneden lovers rock, of moeten we zeggen doowopreggae met een country flavour? In elk geval een cover van The Wailing Wailers, toen felle ska. She knows how dimt het licht nog wat verder en balanceert op het randje van stroperige r'n'b (maar gaat er net niet over).

De meest verrassende version is The Chapel, door Bob eind jaren '60 nog expliciet Selassie is the chapel genoemd (op Studio One) en in feite een cover van Crying in the chapel, een smachtende wereldhit van Elvis Presley. Ritmisch nyahbinghi, tekstueel diepreligieus.

In het bijna even bijbelse Tight ship maakt Damian Marley nog eens zijn opwachting, en rekent af met de criticasters van de Marleys. 'Nuff a dem a get bad mind and saying those arrogant Marleys/Them say who Jah bless, no man curse, Babylon is harmless/Alright now nuff a dem hard at work, them watching who's working the hardest/Grass hopper jump at anything that scrufflein the grasses/Lion dem never yet grudge the other.' Another one drop tune.

Working ways begint als een nieuwe hit van Luciano, met Nicolas Laraque (en niet Dean Frazer op saxofoon). Spragga Benz (een vaste klant op het Jamaicaanse Ghetto Youths label van de Marmeys) komt de rust en harmonieuze samenzang verstoren met een brutale parlando, en dat is maar goed ook.

Now I know tenslotte is een brokje akoestische zelfreflectie van een singer-songwriter die de naam en faam van zijn vader en broers alle eer aandoen. Misschien worden de jaren '10 wel zijn jaren.

Stephen Marley: the family saga continues

About the Author

Jah Shakespear
Meer

Luistert naar reggae sinds 1977, schrijft er professioneel over sinds de vroege jaren 80 (in De Morgen, De Standaard, P-Magazine, Highlife en vele andere bladen) en richtte deze site op in 2002. Auteur van 'De Rasta Revelatie' (2008) en 'In Het Spoor Van De Keizer' (2016).

Genres

Reggae

Published

Jun 04, 2011