Reggae.be
Het verhaal van twee leeuwen: Haile Selassie en België - deel 1
Roots & Culture 24 mei 2026

Het verhaal van twee leeuwen: Haile Selassie en België - deel 1

door Jah Rebel

Op 6 september 2026 is het precies 120 jaar geleden dat België en Ethiopië een eerste handelsverdrag ondertekenden; een verjaardag die wij natuurlijk niet ongemerkt voorbij willen laten gaan.Uw dienaar leefde de afgelopen maanden ondergedoken in verschillende Belgische archieven en dat leverde uiteindelijk een fascinerende terugblik op die we hier graag in enkele delen voor jullie ontsluiten.

De betrekkingen tussen Ethiopië en België overspannen inmiddels meer dan een eeuw en vormen een opmerkelijk, maar vaak onderbelicht hoofdstuk binnen de Belgische diplomatieke geschiedenis. Wat begon als een bescheiden commerciële en diplomatieke verstandhouding aan het begin van de twintigste eeuw groeide in de daaropvolgende decennia uit tot een netwerk van officiële contacten, economische initiatieven en wederzijdse bezoeken op het hoogste niveau.

Binnen die bredere geschiedenis richten we ons hier in het bijzonder op de persoonlijke band tussen keizer Haile Selassie en koning Boudewijn, een vriendschapsrelatie die zich ontwikkelde tegen de achtergrond van staatsbezoeken, diplomatieke uitwisselingen en wederzijdse symboliek. Hun ontmoetingen belichamen bij uitstek hoe de Belgisch-Ethiopische relaties in de twintigste eeuw niet alleen door instellingen en verdragen, maar ook door individuele contacten en wederzijds respect werden vormgegeven.

Van expeditie tot legatie: de vroegste Belgisch-Ethiopische contacten (1840-1923)

De Abessijnse expeditie van Edouard Blondeel onder Leopold I

De koloniale ambities van België in de negentiende eeuw reikten verder dan men zich doorgaans herinnert.

Edouard Blondeel Van Ceulebroeck was een Belgische diplomaat en ontdekkingsreiziger die in 1837 door koning Leopold I benoemd werd tot consul in Alexandrië, en later tot consul-generaal. Vanuit die positie ontwikkelde hij ambitieuze plannen om de Belgische aanwezigheid in Noordoost-Afrika uit te breiden.

Tussen 1840 en 1842 leidde hij, met steun van de koning, een grootschalige expeditie naar Abessinië (het huidige Ethiopië). Zijn doel was de commerciële mogelijkheden van de regio te verkennen en er een permanente Belgische handelsnederzetting te stichten. Tijdens deze tocht doorkruiste hij de gebieden Shewa, Tigray en Gojjam, en bereikte zelfs de toenmalige hoofdstad Gondar.

Tijdens zijn lange afwezigheid vermoedde men in België dat Van Ceulebroeck tijdens zijn reis was overleden, maar tot ieders verrassing keerde hij in 1844 levend terug. In een rapport, dat hij opstelde na zijn terugkeer, pleitte Van Ceulebroeck voor een Belgische kolonie in de baai van Anfila (Eritrea). Hoewel dat plan uiteindelijk niet werd uitgevoerd, bleef Blondeels expeditie een belangrijk ijkpunt in het Belgische denken over koloniale expansie.

De ambities van Leopold II en de terughoudendheid van Menelik II

Vanaf het begin van zijn regering toonde Leopold II interesse in Ethiopië. Hij zag daarin opnieuw een gebied voor persoonlijke, eerder dan nationale, expansie. Toen hij soeverein werd van de Onafhankelijke Congostaat, bedacht Leopold een plan om de krachten te bundelen met Ethiopië en samen met keizer Menelik II een dubbelrijk te vormen dat Afrika zou domineren.

Er zou een Congolese missie naar Addis Abeba worden gestuurd om het project te bespreken. Die zou geleid worden door kolonel Haneuse, een vertrouweling van de koning, of door monseigneur Van den Branden de Reeth, een oude kennis van Menelik II. Hoewel kolonel Haneuse in juli 1892 en in februari 1893 zowel Ethiopië als Eritrea bezocht, kwam van het hele plan uiteindelijk niets terecht.

Na de Ethiopische overwinning tegen de Italiaanse troepen van koning Umberto I in de Slag bij Adwa [1] in 1896, bleef koning Leopold II gefascineerd door Ethiopië en keizer Menelik II. Hij zag in het land een potentiële bondgenoot én toegangspoort tot de uitbreiding van zijn invloed in Afrika. Via zijn gezant, de Brusselse advocaat en politicus Sam Wiener, liet hij in Rome en Eritrea onderzoeken of een Belgisch bedrijf, de Société de la Colonisation et d'Exploitation, het gebied tijdelijk kon beheren.

Vanuit Eritrea wilde Leopold een expeditie organiseren tegen de Mahdisten [2], om zo een corridor te openen tussen Soedan en de Congovrijstaat. Dat plan sloot aan bij zijn ambities rond de Lado-enclave, een strategisch gebied aan de bovenloop van de Nijl (in het huidige Zuid-Soedan en Noord-Oeganda) dat onder zijn persoonlijk gezag stond. De enclave gaf de Congovrijstaat toegang tot de Witte Nijl en vormde een mogelijke schakel naar het noordoosten van Afrika - precies de richting waarin Leopold zijn invloed wilde uitbreiden.

Het project voorzag in een groot Afrikaans rijk waarin Leopold II en Menelik II als "hoge beschermheren" zouden optreden over Congo, Ethiopië, Soedan en Egypte. Meneliks terughoudendheid wilde Leopold wegnemen door een fusie van de Italiaanse en Congolese koloniale maatschappijen voor te stellen, terwijl hij Duitsland steun wilde ontlokken via economische concessies.

Geen enkele partij nam het project ernstig, maar Leopold gaf zijn ambities niet op. Hij stelde later zelfs voor om Eritrea met Congolese troepen te besturen onder Italiaanse vlag. Ook dat idee werd afgewezen, al bleef hij zich tot het einde van de eeuw actief interesseren voor Ethiopië en persoonlijk contact onderhouden met figuren uit Meneliks kring.

Een Belgische legatie in Ethiopië

Hoewel er dus zeker al een aantal voorafgaande aftastende ontmoetingen waren, gelden als eerste formele mijlpalen in de relaties tussen België en Ethiopië toch meestal het handelsakkoord dat op 6 september 1906 in Addis Abeba ondertekend werd door keizer Menelik II en ereconsul Hector Henin [3], vertegenwoordiger van Zijne Majesteit Koning Leopold II, en de oprichting van een Belgische legatie in Addis Abeba in 1923.

Na de ondertekening van het handelsakkoord kreeg Henin van Brussel niet alleen de opdracht om officiële betrekkingen met het Ethiopische hof te onderhouden, maar ook om een zo volledig mogelijk beeld te schetsen van het land. In zijn uitvoerige reisdagboeken documenteerde hij nauwgezet de geografie, infrastructuur, economische mogelijkheden, bestuursstructuren en lokale gebruiken van Ethiopië, evenals de politieke spanningen en rivaliteiten tussen de Europese mogendheden die er actief waren.

Hij observeerde hoe Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië het land onder elkaar hadden verdeeld in economische invloedssferen, met afspraken over spoorwegen, handelsroutes en toegang tot de Rode Zee. België, dat geen directe territoriale ambities koesterde, beperkte zich tot een observerende rol, onder meer met het oog op mogelijke repercussies voor het noordoosten van de Congostaat.

In dat kader ondernam Henin lange expedities buiten Addis Abeba, waaronder een tocht van meer dan duizend kilometer richting Dire Dawa. Onderweg bracht hij bezoeken aan lokale machthebbers, onder wie dejazmach [4] Balcha Safo, gouverneur van Sidamo, en ras Welde Giyorgis Aboye. Over zijn bezoek aan die laatste noteerde Henin in één van zijn reisdagboeken:

Le 16 novembre visite à ras Welde Giyorgis qui nous reçoit en grande pompe. Deux rangées de soldats sont échelonnés jusqu'à la première port du gebbi. Je lui confère la décoration de l'Ordre de Léopold et lui présente mon dernier Browning en cadeau. Il lit lui-même, debout, les lettres de l'empereur, reprenant la mienne pour y jeter un nouveau coup d'œil. Il nous dit que si nous l'avions prévenu de notre arrivée, il nous aurait fait chasser l'éléphant.
In 'L'Empire D'Éthiopie: Le Miroir De L'Éthiopie Moderne 1906-1935' van Adrien Zervos uit 1936, vonden we nog de integrale tekst van het door Hector Henin onderhandelde handelsakkoord terug:

Sa Majesté Léopold II, Roi des Belges, et Sa Majesté Ménélik II, Roi des rois d'Éthiopie, désirant régler et développer les relations commerciales entre la Belgique et l'Éthiopie, Sa Majesté le Roi des Belges, représenté par son plénipotentiaire, Mr. H. Henin, chevalier de l'Ordre de Léopold, etc., consul général de Belgique, chargé d'une mission en Ethiopie, dont les pleins pouvoirs ont été reconnus en bonne et due forme, et Sa Majesté Menelik II, en son propre nom, agissant comme Roi de rois d'Éthiopie, sont convenus de ce qui suit:

Art. 1. Les sujets et les produits de chacun des deux pays jouiront réciproquement dans l'autre, du même régime et des mêmes avantages en matière d'établissement, de commerce et de douane, que ceux qui sont actuellement accordés ou qui seraient accordés à l'avenir aux sujets et aux produits de la nation la plus favorisée.

Art. 2. Le présent traité restera exécutoire pendant dix ans, qui commenceront à courir deux mois après le jour où sa ratification, par Sa Majesté le Roi des rois d'Éthiopie.
Dans le cas où aucune des parties contractantes n'aurait notifié, un an avant la fin de la dite période de dix années, son intention d'en faire cesser les effets, le traité demeurera obligatoire jusqu'à l'expiration d'une année à partir du jour où l'une ou l'autre des parties contractantes l'aura dénoncé.

En foi de quoi le présent traité a été rédigé en deux exemplaires identiques en langue français et amharique, d'une part au nom de Sa Majesté le Roi des Belges, par son mandataire prénommé, et d'autre part, en son propre nom, comme Roi des rois d'Éthiopie, par Sa Majesté l'Empereur Ménélik II.

Fait à Addis Abeba, le 6 Septembre 1906.
In datzelfde boek zijn tenslotte ook nog volgende details over de Belgische legatie en de Belgische aanwezigheid in Ethiopië aan het begin van de twintigste eeuw terug te vinden:

Jusqu'à Mr. Maxime Gerard, La Belgique était représentée par un vice-consulat, dont les fonctions étaient assurées par le directeur du Comptoir Européen, maison Belge.

Mr. Gerard, qui revint en Ethiopie pour représenter S. M. le Roi Albert I au Couronnement de l'Empereur Hailé Sellassié I, fonda la légation de Belgique, et en fut le premier Ministre en juin 1923.

La Légation de Belgique est installée dans l'ancien bâtiment de la Légation de Russie.

Outre le Ministre précité, elle comprend les postes de vice-consul, poste honorifique, accordé pour services rendus, à Mr. Edmond Beckers, directeur en exercice du Comptoir Européen, et poste de secrétaire, dont Mr. Ato Bekala Kyros est titulaire.

Les nationaux belges établis en Ethiopie ne sont pas en grand nombre. Outre les membres de la mission militaire, le personnel du Comptoir Européen et les agents de la S.A. de Plantations d'Abyssinie, quelques Belges exercent le commerce ou des professions industrielles en Ethiopie. A titre d'information, signalons que le monopole des alcools et spiritueux fut attribué à une société belge, le RIALET. 


De Plantations d'Abyssinie van Marcel Dupret

Na een passage in Nederlands-Indië komt Marcel Dupret, een Belgische mijningenieur verzot op het verkennen van nieuwe horizonten en exotische bestemmingen, vlak voor de Eerste Wereldoorlog terecht in Ethiopië. Hij raakt er betrokken bij de koffieteelt via de Société Générale de Cultures, een onderneming die vanaf 1912 grote ambities koesterde in het Arsi-gebied [5] in Zuid-Ethiopië.

De leiding ter plaatse werd toevertrouwd aan graaf Raymond de Kergariou [6], die meer dan 100.000 arabicastruiken uit Java liet aanvoeren en aanplanten. Maar in februari 1917 werd de jonge plantage volledig geplunderd door de troepen van ras Tafari Makonnen, de latere Haile Selassie, die op dat moment als regent optrad [7]. De vernieling maakte vijf jaar werk in één klap ongedaan. Dupret, woedend over de schade en de machteloosheid waarin de politieke onrust in Ethiopië hem geplaatst had, besliste de activiteiten op te schorten totdat de Ethiopische regering een volledige schadeloosstelling zou toekennen.

Na de Eerste Wereldoorlog reisde hij in de winter van 1920 naar Ethiopië om precies dat te onderhandelen. Tijdens deze reis werd hij door de Belgische regering belast met het overhandigen van onderscheidingen aan de keizerin en de regent, wat ervoor zorgde dat hij als een officiële gezant werd ontvangen. 

In het Archief van de FOD Buitenlandse Zaken in Brussel vonden we nog onderstaande brief van koning Albert 1 terug:

ALBERT, ROI DES BELGES, à SA MAJESTÉ L'IMPÉRATRICE ZAOUDITOU, REINE DES ROIS D'ÉTHIOPIE, NOTRE SINCÈRE AMIE, CORDIAL SALUT !

Le vif désir que Nous éprouvons de donner à Votre Majesté Impériale un témoignage de Notre sincère amitié et de Notre profonde estime, Nous détermine à conférer à Elle-même la Grand'Croix de l'Ordre de la Couronne et à Son Altesse Impériale le Raz Taffari Makonnen, Prince Régent de l'Empire, la Grand'Croix de l'Ordre de Léopold II. J'aime à espérer que cette marque de Mes bons sentiments contribuera à fortifier de plus en plus les liens d'amitié qui unissent Nos deux pays. Je prie Votre Majesté d'agréer les vœux que je forme pour Son bonheur personnel et pour la prospérité de l'Éthiopie. C'est dans ces dispositions que Nous recommandons Votre Majesté Impériale à la protection de la divine Providence.
Votre Sincère Ami,
Albert
Dupret verkreeg uiteindelijk de compensaties die hij nastreefde en ontving bovendien een muilezel, Din-Din, genoemd naar de vallei waarin de onderneming een nieuwe plantage had aangelegd, als geschenk van keizerin Zauditu.

De Ethiopische autoriteiten bleven Dupret nadien gunstig gezind. Zijn reis versterkte niet alleen zijn persoonlijke connectie met het land, maar ook zijn relatie met Ras?Tafari. Die verstandhouding zou later leiden tot warme contacten tijdens Haile Selassies bezoeken aan België, onder meer tijdens diens historische diplomatieke reis van 1924.

In 1923 werd een tweede onderneming opgericht, de Plantations d'Abyssinie, waaraan Dupret opnieuw verbonden was. Hij keerde nogmaals naar Ethiopië terug, reisde per karavaan naar Min? en inspecteerde gedurende weken de mogelijke uitbreidingen van de koffieproductie. Ondanks de primitieve omstandigheden, het gebrek aan wegen en de trage administratieve processen, bleef hij gefascineerd door het potentieel van het land.

Begin maart 1927 bevond Marcel Dupret zich weer in Addis Abeba om de plantages van Arsi te inspecteren. Rond die tijd stond de Société Générale de Culture op het punt haar koffiestrookconcessies over te dragen aan de Plantations d'Abyssinie, een beslissing die in 1928 werd geconcretiseerd. Dankzij deze samenwerking kon eindelijk werk worden gemaakt van een betere transportinfrastructuur: er werd een piste van ongeveer 150 kilometer aangelegd die de plantagegebieden rechtstreeks verbond met het treinstation van Arba.

In 1931 bereikte de onderneming een belangrijke mijlpaal: in totaal werd 1.402 hectare geëxploiteerd, verspreid over de valleien van Bekeksa, Min? en Gololcha, in het hart van het Arsi-gebied.

Na deze overdracht werd Dupret benoemd tot bestuurder van de Plantations d'Abyssinie, een mandaat dat in februari 1935 opnieuw werd bevestigd. Enkele maanden later kreeg de onderneming echter te maken met de Italiaanse invasie van Ethiopië. De bezetting leidde tussen mei en december 1936 tot aanzienlijke schade aan de plantages, waarna de maatschappij haar volledige exploitatiegebied - toen ongeveer 1.600 hectare - moest afstaan aan de Italiaanse parastatale onderneming Sane.

Na de Tweede Wereldoorlog werd getracht bij de Ethiopische regering compensatie en duidelijke voorwaarden voor een mogelijke heropstart te verkrijgen, maar de opgelegde eisen bleken bijzonder moeilijk te aanvaarden. Het vooruitzicht op hervatting van de activiteiten werd daardoor steeds onwaarschijnlijker. Uiteindelijk werd de onderneming in 1952 in vereffening gesteld, waarmee een definitief einde kwam aan alle activiteiten in Ethiopië.

Ondertussen had Dupret zelf een steeds belangrijkere diplomatieke rol gekregen. Hij schopte het tot ereconsul van Ethiopië in België, en het is in die hoedanigheid dat ras Tafari hem in april 1929 een schrijven bezorgde waarin hij de Belgische regering verzocht een ontwerp uit te werken voor het sturen van een militaire missie naar Ethiopië; een belangrijk moment in de Belgisch-Ethiopische relaties, waarop we later nog uitgebreider zullen terugkomen.

Een vroege Ethiopische missie: België en Abessinië na de Grote Oorlog

Over het bezoek van de Ethiopische delegatie aan ons land in juni van 1919 is vrij weinig terug te vinden. De missie, bestaande uit dejazmach Shibeshi, dejazmach Wolde Gabriel en negadras [8] Zewge, was naar Europa afgereisd om bondgenoten zoals Frankrijk en België te feliciteren met hun overwinning tegen de Centrale Mogendheden tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Het drietal arriveert in Brussel op zondag 8 juni en wordt tijdens hun verblijf in België bijgestaan door Marcel Dupret.

Sommige kranten vermelden echter verkeerdelijk dat Zauditu, dochter van keizer Menelik II, die op dat moment al als keizerin op de Ethiopische troon zat, ook deel uitmaakte van het gezelschap. 

Zo lezen we in de editie van Ons Vaderland van 13 juni 1919 bijvoorbeeld:

De Abyssinische missie is woensdag voormiddag ontvangen door burgemeester De Vos en schepen Strauss. Ook een vrouwenafgevaardigde, Zeodita (sic), dochter van keizer Menelik, maakte er deel van. In vrouwenontvoogding zijn de Abyssiniërs ons vooruit!  
Het programma van het driedaagse bezoek doet al wat denken aan dat van prins-regent ras Tafari in 1924, maar daar komen we dadelijk op terug.

Na een ontvangst door koning Albert 1 op het Koninklijk Paleis van Brussel, waar ze geloofsbrieven van keizerin Zauditu en prins-regent ras Tafari overhandigen. De koning maakt van die gelegenheid gebruik om keizerin Zauditu en prins-regent ras Tafari te bedanken met hoge Belgische eretekens: het Grootkruis van de Kroonorde voor de keizerin, en het Grootkruis van de Orde van Leopold II voor de prins-regent. De fysieke overhandiging van deze onderscheidingen zou evenwel pas het jaar daarop plaatsvinden, wanneer Marcel Dupret ze tijdens zijn missie naar Ethiopië in 1920 persoonlijk overbracht [9].

Maandagnamiddag begeeft de delegatie zich nog naar Tervuren waar ze een bezoek brengen aan het Museum van Belgisch Congo.

Op dinsdag staan een bezoek aan Charleroi en de steenkoolmijn van Mariemont op de planning. In de late namiddag wordt de delegatie opnieuw in Brussel verwacht, waar ze op het Brusselse stadhuis ontvangen worden door burgemeester Adolphe Max.

In Antwerpen, wordt het drietal op woensdag 11 juni ontvangen door burgemeester Jan De Vos. Aan boord van de torpedoboot A1 Prince Leopold maken ze een rondvaart door de haven en verder staan ook nog onder andere een bezoek aan een diamantslijperij en de dierentuin op het programma. 

De Ethiopische delegatie besluit haar rondreis door België met een diner bij premier Léon Delacroix.

De Plantations d'Hassan-Osman van Camille Van Billoen

Ook de in het Vlaams-Brabantse Neerijse geboren Camille Van Billoen hield zich in Ethiopië bezig met de koffieteelt. Hij is er eerst nog werkzaam voor de Plantations d'Abyssinie van Marcel Dupret, maar richt al snel daarna samen met zijn broer Justin de Plantations d'Hassan-Osman op. 

Omdat hij vooral Ethiopische christenen in dienst heeft, maar actief is in een overwegend islamitisch deel van Ethiopië, laat Van Billoen in Kela bij Ticho de Medhane Alem kerk bouwen. 

Wanneer de fascistische troepen van Mussolini Ethiopië in 1936 binnenvallen, schaart Camille zich aan de zijde van het verzet, dat hij zelf van wapens voorziet. Als de geallieerden onder leiding van de Engelsen de Italianen verslaan, wordt Van Billoen als dank voor zijn verdiensten zelfs nog een tijd lang benoemd tot interim gouverneur van Ticho [10]. 

Camille Van Billoen bleef tot aan zijn dood actief in de koffieteelt en werd na zijn overlijden in november 1964 begraven op de begraafplaats bij de katholieke kapel van Sint Petrus en Paulus in Addis Abeba. 

Na de dood van Camille, zette zijn zoon George de koffieactiviteiten nog even verder, maar als de Dergue [11] in 1974 de macht grijpt in Ethiopië worden de landerijen genationaliseerd en valt het doek voor de Plantations d'Hassan-Osman.

Wordt vervolgd...

 
[1] Het Verdrag van Wuchale, gesloten op 2 mei 1889 tussen het Ethiopische Keizerrijk onder keizer Menelik II en het Koninkrijk Italië, was bedoeld om vriendschap en handel te bevorderen, maar leidde door fundamentele verschillen tussen de Amhaarse en Italiaanse tekst - vooral rond artikel 17 - tot een conflict over de vermeende vestiging van een Italiaans protectoraat. Nadat Menelik II het verdrag in 1893 had opgezegd, probeerde Italië zijn aanspraken met geweld af te dwingen, wat uitmondde in de Eerste Italiaans-Ethiopische Oorlog. Die culmineerde in de Slag bij Adwa op 1 maart 1896, waar Ethiopië de Italiaanse koloniale strijdmacht onder Oreste Baratieri versloeg. Deze nederlaag dwong Italië in het Verdrag van Addis Abeba de Ethiopische soevereiniteit te erkennen, waardoor Ethiopië een van de weinige onafhankelijke staten bleef tijdens de Wedloop om Afrika; Adwa groeide uit tot een krachtig symbool van het panafrikanisme en waarborgde de Ethiopische onafhankelijkheid tot aan de Tweede Italiaans-Ethiopische Oorlog, veertig jaar later.
[2] De Mahdi-staat, ook bekend als Mahdi-Soedan of de Soedanese Mahdiyya, was een staat gebaseerd op een religieuze en politieke beweging die in 1881 werd gestart door Muhammad Ahmad (later Muhammad al-Mahdi) tegen het kedivaat Egypte, dat sinds 1821 Soedan controleerde. Na vier jaar van strijd verdreven de Mahdi-rebellen de Ottomaans-Egyptische administratie en stichtten hun eigen islamitische en nationale regering met als hoofdstad Omdurman. Vanaf 1885 behield de Mahdi-regering zo de soevereiniteit en controle over de Soedanese gebieden, totdat haar bestaan in 1898 door Anglo-Egyptische troepen werd beëindigd.
[3] De Belgische diplomaat Hector Hénin werd geboren in Senenne bij Anhée in de provincie Namen als tweede kind in een landbouwersgezin van tien. Na studies handelswetenschappen begon hij in 1892 aan een diplomatieke loopbaan met een benoeming als consulair agent in Teheran. Hij was daarnaast nog onder meer actief in Ethiopië en bereikte uiteindelijk de rang van Belgisch minister in Midden-Amerika, met standplaats Guatemala. Hij overleed in Guatemala op 8 april 1918 en werd er begraven, samen met zijn echtgenote Marie Boone, op het Cementerio de la Ciudad de Guatemala.
[4] Afkorting van dejenazmach, letterlijk "bevelhebber van het veld", een militaire titel die verwijst naar de commandant van het centrale onderdeel van een traditionele Ethiopische legerformatie. De rang is enigszins vergelijkbaar met die van graaf.
[5] Arsi is een voormalige provincie van Ethiopië. De hoofdstad was Asella. De provincie ging in 1995 op in de zone Arsi van de regio Oromiya. De zone en de provincie zijn beide genoemd naar een ondergroep van het volk de Oromo, die de voormalige provincies Bale en Arsi bewonen.
[6] Graaf Raymond de Kergariou (1875 - 1918) was een Franse avonturier die Abyssinië al in 1902 bezocht en sinds 1904 actief was als directeur van een rubberplantage op Java. Waarschijnlijk was het via die weg dat Marcel hem ontmoette.
[7] Na zijn dood in 1913, werd Menelik?II opgevolgd door zijn kleinzoon Lij?Iyasu, een jonge en onervaren heerser die hervormingen probeerde door te voeren en nauwere banden zocht met moslimgroepen in het zuiden en oosten van Ethiopië. Zijn beleid stuitte op hevig verzet van de traditionele Amhara-elite en de leiders van de Ethiopisch-Orthodoxe Kerk, die hun politieke en religieuze invloed bedreigd zagen. In 1916 werd Lij?Iyasu na een coup afgezet; ze plaatsten Zauditu, de dochter van Menelik?II, op de troon en stelden Ras?Tafari Makonnen aan als regent. De plunderingen van de plantage in februari 1917 moeten worden begrepen tegen deze achtergrond van politieke onrust: troepen van Ras?Tafari consolideerden hun gezag, onderdrukten potentiële tegenstanders en controleerden strategische middelen, waarbij buitenlandse eigendommen zoals de jonge koffieplantage soms het doelwit werden van militaire acties.
[8] Het toenmalige Ethiopische equivalent voor Minister van Handel
[9] Zie De Plantations d'Abyssinie van Marcel Dupret
[10] Tegenwoordig het administratieve centrum van de woreda of het district Tena in de Arsi-regio van Ethiopië.
[11] De Dergue, officieel de Provisionele Militaire Administratieve Raad (PMAC), was de militaire junta die Ethiopië, inclusief het huidige Eritrea, regeerde van 1974 tot 1987. De Derg werd opgericht op 21 juni 1974 als het Coördinatiecomité van de Strijdkrachten, Politie en Territoriale Leger, door officieren van het keizerlijke Ethiopische leger en leden van de politie. Op 12 september 1974 zette de Derg de regering van het Ethiopische Keizerrijk en keizer Haile Selassie af, en drie dagen later hernoemde het zichzelf formeel tot de Provisionele Militaire Administratieve Raad. In maart 1975 schafte de Derg de monarchie af en vestigde Ethiopië als een communistische staat onder een door het leger geleide provisionele regering.

Het verhaal van twee leeuwen: Haile Selassie en België - deel 1

Over de auteur

Jah Rebel
Meer

Lag samen met Jah Shakespear aan de basis van Reggae.be; eerst als recensent en interviewer, en vanaf eind 2014 ook als hoofdredacteur. Verdeelt zijn tijd tussen zijn twee passies: muziek en Haile Selassie.

Gepubliceerd

24 mei 2026