Vanwege de achtergronden van de geliefden, een wereldster en de dochter van een president, werd de affaire erg discreet gehouden. Of zoals Junior Marvin het verwoordt: "Het was niet verborgen, maar het was ook niet openbaar.". De obstakels van de relatie werpen eveneens het licht op de realiteit van het leven in het pas gedekoloniseerde deel van Afrika, waaronder Gabon, in sterk contrast met het geïdealiseerde beeld dat de zwarte bevolking van Jamaica, het Caribisch gebied en de VS van het continent hebben.
Als drieëntwintigjarige studente ontmoet Pascaline Bob voor het eerst op 23 november 1979 na een concert in Los Angeles. Tijdens de ontvangst van Bob en enkele Wailers, later op die avond in de luxueuze villa van de Bongo zusters in LA, nodigt ze hem uit om in Libreville te spelen ter gelegenheid van haar vaders verjaardag. Bob twijfelt niet, een droom wordt werkelijkheid, een concert op Afrikaanse bodem, het land van de voorvaderen.
Hierop volgt in januari 1980, in Gabon, het eerste Afrikaanse optreden van Bob Marley en The Wailers. Het enige andere concert op het zwarte continent (Harare - 18 april 1980), ter gelegenheid van de onafhankelijkheid van Zimbabwe, waarbij hij voor de gelegenheid het gelijknamige nummer schreef, financierde Bob volledig zelf.
Bij aankomst in Libreville worden Bob en zijn gevolg, door Ali Bongo (zoon van Omar en sinds 2009 huidig president van Gabon) hartelijk ontvangen. De "reggae men" zijn enigszins verrast een vrij moderne hoofdstad, gebouwd dankzij het oliegeld dat binnenstroomde, te ontdekken. Naarmate de dagen verstrijken ontdekken The Wailers ook een land waarin, ondanks alle rijkdom, een groot deel van de bevolking in extreme armoede leeft.
Junior Marvin: "We wisten niet dat Omar Bongo een dictator was. We waren onschuldig, zo blij dat we werden uitgenodigd in Afrika."
Judy Mowatt: "Ze waren niet langer gekoloniseerd, maar ook niet vrij. Gabon was een neokoloniaal land geregeerd door een zwarte man."

Anderzijds vertoonde Bob heel wat respect voor Omar Bongo vertelt Pascaline: "Toen we elkaar ontmoetten vertelde Bob mij dat mijn vader de enige was die had voorgesteld om Haile Selassie te ontvangen nadat hij was onttroond en dat Rasta's dit een sterke daad vonden die hun respect en bewondering verdiende."
Het is in Libreville dat hun ontmoeting in een liefdesverhaal uitmondt. Vanaf dan verblijft Bongo, zo vaak het voor beiden mogelijk is, in het gezelschap van Bob. Met haar privéjet reist ze tussen Libreville, Los Angeles (waar ze studeerde) en Kingston heen en weer. De zanger blijkt erg verliefd te zijn op zijn "Afrikaanse prinses" met wie hij ervan droomt een kind te krijgen. Daarentegen slikt zij stiekem de pil zich terdege bewust zijnde dat ze nooit echt samen zouden kunnen zijn.
Pascaline Bongo: "Bob zei altijd tegen mij: "Je vader zal je nooit met mij laten trouwen.", en ik dacht bij mezelf: "Geen enkele kans met alle vrouwen in zijn leven… Hij was een Rasta en zijn filosofie was om alles te delen. Het was niet zijn schuld dat de meisjes op hem sprongen. Ze wisten allemaal dat hij getrouwd was… maar hij was een superster."
Ook na de trieste dag in december 1980, waarop Amerikaanse artsen vaststellen dat, een in 1977 slecht behandeld melanoom, tot een volledig kanker uitzaaide, blijft Pascaline tot op het einde aan zijn zijde. Tijdens zijn verblijf in de kliniek in Beieren, gedurende de laatste maanden van zijn leven, bezoekt ze hem elk weekend.
Na zijn dood in Miami op 11 mei 1981, is zij zelfs aanwezig op de begrafenis in Kingston en tot aan het overlijden van Cedella Booker in 2008, onderhoudt ze nauwe contacten met de moeder van Marley. Haar studies beëindigd, dient ze als minister onder het bewind van haar vader en vervolgens als stafchef van haar broer alvorens de politiek de rug toe te keren.
Tot op heden blijft Pascaline gehecht aan haar eerste liefde en zijn muziek. Bij de geboorte van haar eerste kind, uit haar huwelijk met Jean Ping, wordt de jongen 'Nesta' gedoopt, een verwijzing naar Bobs officiële naam Robert Nesta Marley.
Het degelijke onderzoek van de journaliste tussen Parijs, Los Angeles, Libreville en Jamaica, waarbij ze talloze getuigen interviewde, levert een boek waarvan de meerwaarde is dat het op aangename wijze de sluier oplicht over een minder bekend hoofdstuk uit Bobs laatste twee levensjaren. Een publicatie waarin zelfs de meest fervente Marley fans iets nieuws kunnen ontdekken.
'Bob Marley et la fille du dictateur' van Anne Sophie Jahn telt 224 pagina's en is verschenen bij
Editions Grasset