In de luttele jaren dat ondergetekende stukjes pleegt te schrijven voor deze kleine maar fijne en immer tegen de hoofdstroom kabbelende periodiek, waren dat hoofdzakelijk in memoriams. Dat is een trieste, maar logische waarheid. De geschiedenis van reggae spreidt zich uit over vele decennia, en de weinige resterende founding fathers hebben een gezegende leeftijd bereikt. Van de grote sterkhouders die het genre definieerden en bekend maakten bij het grote publiek, waren Lee Perry en Bunny Wailer de laatsten die verbleven op deze aardkloot. Gisteren raakte het nieuws bekend dat die laatste ons op 73-jarige leeftijd heeft verlaten. Neville Livingston, zoals hij echt heette, overleed dinsdag in het Medical Associates Hospital in Kingston.
Het belang van zijn muzikale erfenis kan je onmogelijk overschatten. Bunny was medeoprichter van de Wailers, auteur van een handvol classic albums, en bovenal een boegbeeld van Rastafari en de strijd voor de legalisering van cannabis. Hij was een icoon en laat een niet te vullen gat achter in deze wereld. Over heel de wereld spreken reggaemuzikanten, -DJ's en fans hun grote verdriet uit.
Bunny's hele leven stond in het teken van muziek. Hij was amper acht toen de jonge Bob Marley zijn pad kruiste in het Jamaicaanse dorpje Nine Mile. Neville en Bob waren beiden kinderen uit éénoudergezinnen. Neville werd opgevoed door zijn vader, de preker Thaddeus 'Toddy' Livingston. Die leerde onderweg van Kingston naar Nine Mile een charmante jonge dame kennen waar zijn hart sneller voor ging kloppen: Cedella, de moeder van Bob Marley. Zij werd later zwanger van hem en baarde een dochter, Pearl. Vanaf dan waren Bob en Neville stiefbroers.
Niet onbelangrijk is dat Toddy Livingston, naast preker en winkelier, ook een herbsman was: hij kweekte en verkocht marihuana om zijn winkel te financieren. Bunny leerde het heilige kruid dus al kennen op jonge leeftijd en werd later een van zijn vurigste pleitbezorgers.
Op zijn achtste was de kleine Neville al een geboren entertainer. In Kingston had hij danswedstrijden gewonnen, in Nine Mile zong hij in het koor en speelde drums in de Revivalist Church van zijn vader.
De jonge halfbroers trokken op met Desmond Dacre (later Dekker) en oefenden hun stem met gospel en Curtis Mayfield. In 1963 ontmoetten ze een boomlange youth die hun leven zou veranderen: Peter McIntosh aka. Peter Tosh. Peter leerde hen instrumenten spelen, en nog datzelfde jaar richtte dit gouden trio de groep The Wailing Wailers op (ook bekend als The Teenagers, The Wailing Rudeboys en uiteindelijk gewoon The Wailers). Voor 1963 goed en wel voorbij was sloten ook Junior Braithwaite (zang), Cherry Smith en Beverley Kelso (achtergrondzang) zich aan.
Aanvankelijk speelden The Wailing Wailers vooral covers van bekende rhythm and blues songs. In 1964 hadden ze met 'Simmer Down' echter een stevige hit te pakken op Studio One. Het was de eerste van een lange rij ska- en vroege reggaehits in Jamaica: weinig reggaegroepen kenden zo snel zo veel succes. En terecht, want deze muziek heeft de tand des tijds moeiteloos doorstaan.
Maar voor Bunny kwam dit instant succesverhaal abrupt ten einde in 1967, toen hij opgepakt werd en 14 maanden de gevangenis invloog voor het bezit van marihuana. Over die jaren schreef hij één van zijn mooiste nummers, 'Battering Down Sentence'. Zijn gevangenschap maakte van hem een moeilijke mens, maar ook een van de meest overtuigde verdedigers van ganja en Rastafari.
Bunny stond bekend voor zijn sterke geloof én bijgeloof. De man die zijn zinnen lardeerde met rastasymboliek leek dat soort verhalen aan te trekken. Zo is er de anekdote over producer Leslie Kong van Beverley's Records. Kong wilde een album dat The Wailers voor hem opnamen 'The Best of The Wailers' noemen. Bunny was razend over die voorbarige titel. "Pas aan het einde van een leven kan je beoordelen wat het beste is", zei hij: "…dus wie zo'n titel gebruikt, moet wel aan het eind van zijn dagen zijn!". Kong negeerde die waarschuwing, en overleed kort na de publicatie op 38-jarige leeftijd aan een hartaanval. Dat verhaal ging een eigen leven lijden, en zo was Bunny's reputatie als "obeahman" (een beoefenaar van voodoo) gemaakt.
Het is samen met de infame producer Lee 'Scratch' Perry dat de Wailers de basis legden van hun internationale carrière, maar dat was evenmin een vlekkeloze samenwerking. Toen Bunny te weten kwam dat Perry de Engelse distributierechten van de albums 'Soul Rebel' en 'Soul Revolution' aan Trojan Records verkocht had voor 18.000 £, ontstak hij in furie en viel Perry aan in een club in Kingston. De anekdote typeert Bunny, die het altijd moeilijk heeft gehad met het zakelijke aspect van zijn muzikantenbestaan. Als overtuigde rasta hield hij zich ver weg van alles wat rook naar geld, succes en commercie. Hij heeft met The Wailers getoerd in Engeland en de Verenigde Staten, maar zat hele dagen in zijn hotelkamer en meed journalisten. Hij kookte liever vissoep voor de bandleden, en vroeg in elk hotel een wortel die hij uitholde en gebruikte als ganja pipe. Hij vloog niet graag en had ook geen zin in tournees in het koude Engeland, of in optredens in Amerikaanse freak clubs. De principiële weigering van Wailer en Tosh optredens te spelen voor een bepaald publiek, omdat dit in strijd zou zijn met hun geloof, leidde uiteindelijk tot de split van de Wailers.
Het trio had eerder getekend bij Chris Blackwell, de eigenaar van Island Records. Bunny had een moeilijke relatie met Blackwell: hij noemde hem 'Chris Whiteworst'. Nochtans was het deze man die van The Wailers, en daarmee het hele reggaegenre, een wereldwijd succes maakte. Maar Bunny zag hem als oorzaak van de verslechterde relaties in de band. Het was immers Blackwell die hen verkocht als een rock act, en Marley naar voor schoof als de natuurlijke leider van de band. The Wailers werden Bob Marley & The Wailers, tot ongenoegen van Peter en Bunny: zij waren immers even goeie songschrijvers. En, zoals uit hun latere werk zou blijken, misschien zelfs betere zangers dan Bob. Sommigen noemen Bunny de miskende Wailer, omdat hij weinig ingezet werd als schrijver of frontzanger. Hij zong wel lead op onder andere 'Dreamland', 'Riding High', 'Brainwashing' en 'Pass It On'.
Bunny's afkeer van interviews en de commerciële plichtplegingen die een internationale muziekcarrière nu eenmaal met zich brengen, zijn typerend voor een man die heel zijn leven financiële problemen heeft gekend. Ook al richtte hij twee platenlabels op (Solomonic Records en Intel Diplo, dat later overgenomen werd door Peter Tosh), hij zou er zeer weinig aan verdienen.
De split van de Wailers was een trauma voor Bunny, en zijn geloof hielp hem dit te verwerken. Samen met zijn vriendin Jean Watt trok hij naar Bull Bay, een rastagemeenschap aan het strand, 60 km van zijn geliefde Trenchtown. Hij leed er een sober leven, in een eenvoudige bamboe hut die hij zelf gebouwd had. Later bouwde hij een huis op een stuk land in St Thomas Countryside, dat hij gekocht had met inkomsten uit een schikking met Island Records. Voor enkele jaren leek hij zich daar in te graven en verdween hij van de radar. Het grote publiek dacht dat hij de muziek vaarwel had gezegd, maar niets bleek minder waar. In de zomer van 1976 keerde hij terug met zijn eerste soloalbum, 'Blackheart Man', zonder twijfel een van de beste reggaeplaten ooit. Hij noemde zich vanaf dan Bunny Wailer, omdat hij volgens hem net zoveel recht had op die naam als de oude backing band van Bob Marley. De zanger slaagde erin om de orthodoxe, bijbelse spirit van Rastafari te verzoenen met poëzie en protest, met zwarte bewustwording en emancipatie, en scènes uit het harde straatleven in Kingston. Even goed waren de singles die Bunny Wailer eind jaren zeventig uitbracht op zijn eigen Solomonic label, met als hoogtepunt wellicht het majestueuze lied van hoop en verlichting 'Rise & Shine'. Maar het hoefde niet altijd zo serieus te zijn. 'Rock'n'Groove' (1980) was een briljante plaat geheel in de rub-a-dubstijl die toen zo populair was, op 'Hook Line & Sinker' (1982) experimenteerde hij met disco. Met 'Tribute' en 'Sings The Wailers' eerde Bunny Wailer op meesterlijke wijze zijn vroegere kompanen. Gelijkaardige projecten zouden hem in de jaren negentig enkele Grammy's opleveren voor beste reggaealbum.
Live was Bunny Wailer jarenlang de koning van de reggae, met vaak drie uur (of langer!) durende concerten die de hele geschiedenis van de reggae omspanden, én zijn grootste hit (met Marcia Griffiths), 'Electric Boogie'. Wie de twee kan vergelijken weet dat Bunny bij momenten zelfs de herinnering aan Bob Marley deed vervagen. Hij had dan ook langer geleefd, meer gezien, was langer gegroeid en wist bv. ook de evolutie naar dancehall moeiteloos een plaats te geven in zijn shows (denk aan 'Cool Runnings' en 'Ram Dancehall'). Als live muzikant vertegenwoordigde hij de creativiteit, het vuur en het genie van een verdwenen generatie die de wereld veranderde. Op zijn best was hij een hogepriester, die het leed van de wereld wilde helen met muziek en een onpeilbare kracht. Tot het einde bleven zijn optredens memorabel, zoals ook die laatste keer op Reggae Geel in 2014.
De laatste jaren van zijn leven worstelde Bunny Wailer, zoals veel reggaemuzikanten aan het einde van hun leven, met zijn gezondheid. In 2018 kreeg hij een zware beroerte, waarvan hij herstelde in Cuba. Abijah Asadenaki Livingston, Bunny's getalenteerde zoon, verzorgde hem in de laatste jaren van zijn leven. In 2020 volgde een tweede beroerte, waarna naar verluid zware spraakproblemen volgden en hij alsmaar sneller achteruitging.
Vanop mijn draaitafel staren sinds gisteren twee grote ogen onder een Davidsster mij aan: de roze blik van het Solomonic label, de plaat die ik meer dan tien jaar geleden hoorde in een dance en me aan de grond genageld hield. Ik speel het opnieuw en opnieuw en opnieuw, zoals generaties reggae youths het voor mij deden en het lang na mij zullen doen.
Hoor die stem. Hoor hoe de klaagliederen van de verdrukten der aarde, die zich in oneindige rijen aandienen, mee resoneren. En hoe hun pijn gelouterd wordt door hoop. Generaties die zich oprichten in eenheid. Rest In Eternal Piece, Bunny. Bob en Peter wachten op je.
We've been down…in the valley…much too long.We've been down…in capitivity…oh so long.We've been down…in humility…much too long.We've been down…in slavery…oh so loooooong. So rise and shine, and win your liberation, for now is the time when all nations must be free.So rise and shine, restore your strength and power. Waste no more time, remember your history.