Reggae.be
Wordt er nog reggae gemaakt in Jamaica?
Roots & CultureJan 05, 2021

Wordt er nog reggae gemaakt in Jamaica?

By Jah Shakespear

Net voor Nieuwjaar verscheen op de nieuwswebsite Daily Beast een intussen vaak gedeeld en veelbesproken artikel over de nieuwe Jamaicaanse popmuziek, die nog maar weinig gemeen zou hebben met de reggae van weleer. Het is lang niet de eerste keer dat die klacht weerklinkt.

Bob Marley was de eerste artiest die verweten werd zijn ziel te verkopen aan de duivel van de commercie. Zijn reggae had niet langer het homegrown geluid van de sound systems, heette het. De inbreng van rockgitaren was niet authentiek Jamaicaans. Grote hits als 'Could You Be Loved' of 'Buffalo Soldier' leunden eerder aan bij pop en disco dan bij de dub en de rockers die eind jaren '70 de dancehall domineerden. Maar dat vonden wij, en nog een paar anderen. De rest van de wereld wist nog amper wat reggae was, en Bob Marley had ons uiteindelijk wel de oren geopend voor dat nieuwe genre. Om nog maar te zwijgen van de vele classic albums die in die tijd het levenslicht zagen, gefinancierd door grote (overwegend) Britse platenmaatschappijen als Island en Virgin. Zij hadden plots een gat in de markt ontdekt, en groepen als Burning Spear, Culture, Twinkle Brothers, The Gladiators, Third World en Steel Pulse, naast zangers Ijahman Levi, Gregory Isaacs, Lee Perry en Pablo Moses, kregen grote budgetten toegeschoven om op te nemen in de best mogelijke omstandigheden, met de beste muzikanten. De oogst van het eerste 'verraad' aan de reggae was een collectie van tijdloze albums, een briljante reflectie van de gouden jaren van de rootsreggae. Zonder het commerciële succes en de cross-over sound van Bob Marley zouden die andere namen nooit zo sterk geresoneerd hebben.

De eerste keer dat ik zelf twijfelde aan de toekomst van de reggae was ergens in 1981. Ik zat in de auto bij Ranking Dirk en Ras Antonius, de makers van 'This Station Rules The Nation', een van de allereerste reggaeprogramma's op de (vrije) radio. Dirk had een cassette bij van de nieuwste sensatie in Jamaica, een man die daar meer platen verkocht dan eender welke andere artiest (ook Bob Marley). Hij zong niet over de keizer, Zion of Babylon maar brulde dat hij verzot was op Grace Jamaican Ketchup. Dirk en Antonius vonden dat geweldig grappig maar ik als student zat nog volop in mijn ernstige fase. Ik identificeerde reggae zowat met rasta's en rebellen, met muziek van weerstand en revolutie. Toasters als Big Youth en U-Roy hadden de voorbije jaren mooi mee gesurft op die golf. Ook van hen verwachtte ik militante en spirituele lyrics, zoals die in de gezongen rootsreggae gemeengoed waren geworden.

Maar zo had deze artiest het dus niet begrepen. Yellowman ratelde over het dagelijkse leven, in een veel luchtiger stijl dan zijn voorouders. De grote dromen en verhalen van de rasta's en de daarbij horende Bijbelse lyriek waren aan hem niet besteed. In Jamaica had de conservatieve partij de verkiezingen gewonnen, Bob Marley was gestorven en bij sommigen verving cocaïne ganja als drug of choice. Het was een nieuwe tijd, en die kreeg een nieuwe soundtrack. Meer dan ooit bepaalde dub het geluid van de reggae, ook al omdat de platenmaatschappijen na het heengaan van Marley geen brood meer zagen in het genre. Of toch niet in de weelderig gearrangeerde en geproduceerde roots van enkele jaren daarvoor. Yellowman kreeg wel een contract van het Amerikaanse major label Colombia Records, maar daar zagen ze toch vooral (en terecht) verwantschap met de ontkiemende rap. En die had net als de rub-a-dub van Yellowman niet veel meer nodig dan riddims, later beats. Hij was de eerste Jamaicaanse 'rapper' (wij zegden nog toaster) die zich profileerde op de Amerikaanse markt, en beïnvloedde daarmee een hele generatie lokaal talent. Denk aan pioniers als KRS One, Queen Latifah en EPMD, die eind jaren tachtig nogal wat reggae in hun tunes verwerkten.

Of moeten we tegen dan zeggen dancehall? De grootste breuk die ik ooit heb het ervaren in het reggaelandschap deed zich voor na de release van 'Under Mi Sleng Teng' in 1985. Toen zijn veel first generation reggae fans afgehaakt, in de vaste overtuiging dat je zonder levende bas en drums nooit een warm, geloofwaardig geluid kon creëren. Ik herinner me dat ook de LP 'Unmetered Taxi' van Sly & Robbie een erg bevreemdend effect had op ons, met die nieuwe half elektronische sound en syndrums. Maar de Taxi Gang speelde tenminste nog herkenbare riddims. Sleng Teng was gewoon een brute, digitale beat, music for cokeheads dacht ik toen in eerste instantie. Maar ik heb de 12inch van Wayne Smith wel gekocht, en ook een handvol Sleng Teng riddim-LP's, toen nog een relatief nieuw fenomeen. Als DJ kon je er gewoon niet naast, en het was een plezier om de dansvloer eindelijk eens te zien ontploffen, na al die jaren van traag en zachtmoedig skanken. Mijn favoriete riddim dat jaar was de revamp van Stalag maar ik besefte dat zich andermaal een nieuw tijdperk aankondigde. Dancehall was de nieuwe reggae, en zou zo mogelijk nog meer invloed hebben dan de vorige verschijningsvormen.

De transformatie was voor het hippe Britse maandblad The Face wel reden genoeg om voor de enige keer in het bestaan van het magazine een cover te wijden aan reggae, of toch aan 'The Death of Reggae', zoals het in grote letters werd aangekondigd. Het was een typisch westerse blik op zwarte muziek, alsof die voor altijd in stenen gebeiteld zou staan. Net als bij ons evolueerde de lokale Jamaicaanse popmuziek voortdurend, en zetten zich nieuwe generaties zich af tegen oude patronen. Net als in het verleden dwongen financiële beperkingen de studio's en artiesten om creatief aan de slag te gaan, en een Casiootje was nu eenmaal een pak goedkoper dan een groep van echte muzikanten. Ja, er is toen veel traditioneel muzikaal vakmanschap verloren gegaan, en ik mis tot vandaag de verfijnde producties uit het verleden. Ik hoor nog altijd liever Dennis Brown zingen dan Buju Banton brullen. Maar dancehall heeft intussen wel de wereld veroverd, veel meer dan reggae ooit gedaan heeft. Van jungle tot drum & bass en dubstep, van Ed Sheeran tot Burna Boy: allemaal zijn ze schatplichtig aan de dancehall en de hybride reggaeton die sinds de jaren '90 zo populair is op de dansvloer. Het was in een Jamaicaanse dancehall dat ik meisjes voor het eerst zag twerken. Het waren Jamaicanen die mij voor het eerst confronteerden met gun talk, voor de opkomst van de gangsterrap. Slackness is er op het eiland altijd geweest maar kwam via de dancehall meer dan ooit aan de oppervlakte, en kwam later ook bovendrijven in de States.

En dan heb ik het nog niet over dub gehad, nochtans mijn favoriete versie van de reggae. In de schaduw van de dancehall drongen de geesten van King Tubby en Lee Perry door tot in de studio's van Massive Attack, Dreadzone en The Orb, om maar die namen te noemen. Rootszangers als Horace Andy, Earl 16 en Max Romeo (The Prodigy!) kregen dankzij hen eindelijk het respect dat ze verdienden. Ook triphop was voor mij gewoon reggae.

De "echte" Jamaicaanse (en in mindere mate Britse) dub verdween in de jaren 90 wat van het voorplan, en werd ook nog nauwelijks gemaakt. Gelukkig hadden Jah Shaka en enkele generatiegenoten het rootsvuur altijd brandend gehouden, raakte een hoop millenials verslingerd aan dub, en in het zog daarvan aan de originele gezongen versions, vaak onvervalste roots tracks. Na de dancehall crews in de vorige decennia (Civalizee, High Grade, Far West, Boombastic…) kenden in ons land tussen 2010 en 2020 vooral dub sound systems een steile opgang, vaak met zelfgebouwde luidsprekers en apparatuur, naar het voorbeeld van de grote Jamaicaanse sounds uit het verleden. En ze spelen niet alleen nieuwe tunes maar plunderen ook de rootsarchieven van de gouden jaren '70. Als ik goeie nieuwe en oude rootsreggae wil horen, hoef ik al lang niet meer in Jamaica te zijn.

Hoewel dat zo rond 2014 toch een tijd lang weer het geval was, met de opkomst van een nieuwe rootsgeneratie (Protoje, Chronixx, Dre Island, Raging Fyah…). Ik vergeet nooit dat we door de Jamaicaanse country reden en op Irie FM om de haverklap 'Who Knows' hoorden. Protoje had ik intussen live gezien in de yard van Twelve Tribes of Israel, en Chronixx in Petrol, een memorabele show. Beide zangers tilden reggae en dancehall naar een nieuw, eigentijds niveau. Voor mij was de cirkel daarmee rond. Roots had overwonnen, weg met dancehall.

Maar ook dat was natuurlijk weer een misplaatste, vooringenomen observatie. Waarom zou die cirkel ooit rond moeten zijn? Toen we begin 2019 in Jamaica waren, klonk Irie FM opnieuw helemaal anders. Meer autotune dan ooit, meer reality lyrics, en vooral meer reggaeton- en r&b-achtige beats. Trap dancehall noemen ze dat in het artikel op Daily Beast, met verwijzingen naar de nieuwe albums van Protoje, Dre Island en Tarrus Riley. De sensuele video van Riley's tune 'Lighter' is sinds september al meer dan 32 miljoen keer bekeken. Ik lees dat het om een fusie zou gaan van trap, EDM, dancehall en "a catchy pop nugget" maar daar wil Tarrus niks van weten: "I have always been doing different kinds of sounds and I will continue. Music is going through a change right now, people are blending and fusing, everybody wants to call it a name, but I just call it good music."

Of muziek die iets opbrengt, dat kan ook natuurlijk. Laat het rebelse reggaeritme los en je zit algauw bij de gladde dansmuziek die in Amerika zo populair is. Jamaicaanse artiesten hebben altijd gelonkt naar de Verenigde Staten om daar door te breken, erkenning te krijgen en (laten we elkaar geen Dunza noemen) rijk te worden. Als Protoje vandaag een tune kan opnemen die meer kans op succes heeft in Amerika dan in het rootsvriendelijke Europa zal hij dat niet nalaten. Bob Marley droomde er al van om te bubblen op de top 100, Yellowman noemde zich plots King toen hij doorbrak in de States. De jonge dancehallsterren schurken liever aan tegen hiphop- en r&b dan dat ze zouden terugvallen op die ouderwetse reggae.

En zo komt het dat onze favoriete reggae tegenwoordig gemaakt wordt in Europa. Mijn album van 2020, 'Glory To The King' van Willi Williams, is een productie van de Spaanse rootsman Roberto Sanchez. In eigen land hebben producers als Pura Vida en Kingston Echo intussen volwaardige rootsalbums uitgebracht, geheel in de geest en de traditie van de gouden jaren zeventig. Het is muziek die je in Jamaica al lang niet meer hoort. En de vraag is nog maar of de nieuwe Jamaicaanse sound ooit zoveel navolging zal krijgen in de rest van de wereld als die nieuwe trap dancehall, of hoe je het ook mag noemen. Het valt me op dat er voor het eerst sinds de jaren tachtig weinig of geen nieuwe sounds bijkomen die zich richten op de allernieuwste tunes, als er al een apart publiek overblijft voor dancehall. Want die muziek is dus gewoon mainstream geworden, en heeft een plaats gevonden tussen al die andere exotische dansbeats. En wie weet of die nieuwe Jamaicaanse sounds straks toch weer niet gewoon reggae zullen genoemd worden…
Wordt er nog reggae gemaakt in Jamaica?

About the Author

Jah Shakespear
Meer

Luistert naar reggae sinds 1977, schrijft er professioneel over sinds de vroege jaren 80 (in De Morgen, De Standaard, P-Magazine, Highlife en vele andere bladen) en richtte deze site op in 2002. Auteur van 'De Rasta Revelatie' (2008) en 'In Het Spoor Van De Keizer' (2016).

Genres

DubRootsRocksteadyDancehallSkaRaggaReggaeNew RootsLovers RockDubstepReggaetonSoulR&BAfrobeatsAfro-ReggaeHip-hopUK SteppersElectro-DubPunkRockJazzTrapGrimeDrum & BassMentoCalypsoDub PoetryNyahbinghi

Published

Jan 05, 2021