Reggae.be
R.I.P. Bunny 'Striker' Lee (1941-2020), koning van de vliegende cymbalen.
Roots & CultureOct 08, 2020

R.I.P. Bunny 'Striker' Lee (1941-2020), koning van de vliegende cymbalen.

By Jah Shakespear

Edward O'Sullivan Lee was zonder twijfel een van de founding fathers van de reggae. Als producer werkte hij in de jaren '60 en '70 samen met zowat alle grote namen. Tegelijk zorgde hij ervoor dat zijn muziek internationaal wijd verspreid werd, en vulde zo mee de reggaevakken in de Europese en Amerikaanse platenwinkels.

Jaren voor hij de dominante producer zou worden in Jamaica wist Bunny Lee al dat hem in de reggae een grote toekomst wachtte. In 'Great Musical Battle' (1968), klassieke rocksteady op het jazzy ritme van 'Take Five' (Dave Brubeck), laat hij Derrick Morgan in een hilarische radiostijl verslag uitbrengen van een boksmatch tussen zijn baas en Coxsone Dodd van Studio One. Onder de officials herkent de zanger King Tubby, Randy's, Prince Buster, Lee Perry, Byron Lee, (de Amerikaanse zanger-gitarist) George Benson en Mister Palmer, oprichter van Pama en later Jet Star Records. De scheidsrechter is niemand minder dan Joe Frazier, de toekomstige wereldkampioen zwaargewicht. Om maar te zeggen dat Bunny 'Striker' Lee zichzelf een plaats toebedeelde tussen zijn eigen muzikale en sportieve helden. Die Striker was overigens een typisch Jamaicaanse verbastering van 'The Hitch-Hiker', Lee's favoriete film in die tijd.

In de Jamaicaanse muziekwereld verwierf Bunny Lee eerst bekendheid als plugger. Dat waren mensen die nieuwe platen naar de radiostations brachten en de DJ's probeerden te overtuigen om die zo vaak mogelijk te draaien. Met alle mogelijke middelen, en dan hoeven we niet meteen te denken aan smeergeld (payola). Lee slaagde erin om zijn tunes te hypen door zelf te bellen naar de radio, met verschillende stemmetjes zelfs, en drong er bij vrienden op aan om hetzelfde te doen. Zo wekte hij de indruk dat heel het land uitkeek naar de nieuwe releases.

De muziekproducers waren Bunny Lee uiteraard erg dankbaar voor zijn promowerk en gunden hem met plezier wat studiotijd. Eerst Duke Reid, daarna ook de managers van Caltone en WIRL. Tussen 1968 en 1980 produceerde Lee tientallen grote en mindere goden van de reggae, van Slim Smith, Pat Kelly en Delroy Wilson in de beginjaren tot Johnny Clarke, Horace Andy en Cornell Campbell in de voor hem zo glorieuze jaren zeventig. Hij financierde niet zomaar de opnames maar was ook nadrukkelijk aanwezig in de studio, om daar heel concrete muzikale en technische aanwijzingen te geven.

Hits? Veel te veel om op te noemen. 'Everybody Needs Love' van Slim Smith was een scorcher. Eric Donaldson won de Festival Song Contest met 'Cherry Oh Baby', later gecoverd door Rolling Stones (kassa!). Delroy Wilson's 'Better Must Come' was het campagnelied van Michael Manley toen die in 1972 de verkiezingen won. Voor de verdeling sloot Bunny Lee lucratieve deals met Island Records en Trojan. In Londen ging hij in zee met de gebroeders Palmer van Pama en later Jet Star. Hun eerste releases boorden meteen goud aan: 'Bangarang' (Lester Sterling & Stranger Cole) en 'Wet Dream' (Max Romeo) vestigden in de UK de naam en faam van een nieuw genre, reggae.

De belangrijkste muzikale vernieuwing die Bunny Lee op zijn cv mocht schrijven, was de introductie van de "flying cymbals"-stijl, zo rond 1974. Eigenlijk een nieuwe speelstijl van drummer Sly Dunbar, met wie Lee toen samenwerkte (met wie niet?), voor de eerste keer toegepast in Al Brown's 'Here I Am Baby'. Het was een techniek die ook gebruikt werd in de vroege Amerikaanse disco maar uiteraard minder rauw en nadrukkelijk dan in de reggae, en vooral: niet gemixt door King Tubby, met wie Bunny Lee een uitstekende verhouding had. 'Move Out A Babylon' (Johnny Clarke) wordt vaak genoemd als het prototype van de vliegende cymbalen, een stijl die midden jaren zeventig de brug legde tussen vroege reggae en de strakke rockers van The Revolutionaries en andere bands met een wisselende bezetting. Lee werkte vaak met The Aggrovators, maar daar kon even goed Sly achter de drums zitten als Santa Davis. In de eerste jaren was Familyman zijn favoriete bassist (liefst met broer Aston Barrett op drums natuurlijk) maar toen die definitief werd ingelijfd door The Wailers, had Striker al een nieuwe man klaarstaan: Robbie Shakespeare. En als die niet kon, hoefde hij maar Bagga Walker te bellen of Fully Fullwood. Bunny Lee kende iedereen, en iedereen wilde maar al te graag met hem werken, niet alleen de muzikanten. Leroy Smart, Tappa Zukie, Pat Kelly, Alton Ellis, Dennis AlCapone, Glen Adams, Roy Shirley, Big Joe, U-Roy, I-Roy, Prince Jazzbo, Gregory Isaacs (1 fantastische tune, 'The Village') en mijn favoriet in dit rijtje: Barry Brown. De lijst is lang

Lee's favoriete zanger was wellicht Johnny Clarke, met wie hij een twintigtal albums maakte, en talloze singles. Daaronder ook een aantal covers van Bob Marley ('No Woman No Cry', 'Crazy Baldhead', 'Time Will Tell'…), wat bij Tuff Gong niet in goede aarde viel. De Marley's zouden er zelfs persoonlijk voor gezorgd hebben dat Johnny Clarke in de jaren '80 nooit een plaats kreeg op de affiche van het Reggae Sunsplash festival. Een beetje kleinzerig toch, in een land waar auteursrechten tot diep in de seventies geen betekenis hadden. Als Bunny Lee rechten had moeten betalen op alle covers en versions die hij ooit heeft laten opnemen, zou hij misschien wel failliet gegaan zijn.

Sinds de jaren '80 heeft Bunny Lee zich vooral beziggehouden met het beheer van zijn back catalogue, wat vele mooie overeenkomsten opleverde met Trojan, Blood and Fire, Virgin, Jamaica Gold en andere collector's labels. Hij heeft ervoor gezorgd dat zijn releases en producties overal in de wereld verkrijgbaar zijn, eerst fysiek en deze eeuw ook online. Weinig mensen hebben meer gedaan voor de internationale erkenning en verspreiding van authentieke reggae als Bunny 'Striker' Lee.

Ik heb de man één keer ontmoet, in het artiestenhotel van het reggaefestival in Bagnol-sur-Cèze. Zeemanspet, joviale verschijning en een vat vol verhalen, even chaotisch en fragmentarisch verteld als in het boek dat in 2012 over hem verschenen is, 'Reggae Going International 1967-1976'. Maar als iemand al die namen mocht droppen, dan wel Bunny Lee, samen met Coxsone Dodd en Lee Perry wellicht de meest actieve en invloedrijke producer in de geschiedenis van de reggae.

Foto: © Fabrice De Smedt

R.I.P. Bunny 'Striker' Lee (1941-2020), koning van de vliegende cymbalen.

About the Author

Jah Shakespear
Meer

Luistert naar reggae sinds 1977, schrijft er professioneel over sinds de vroege jaren 80 (in De Morgen, De Standaard, P-Magazine, Highlife en vele andere bladen) en richtte deze site op in 2002. Auteur van 'De Rasta Revelatie' (2008) en 'In Het Spoor Van De Keizer' (2016).

Genres

DubRootsRocksteadySkaReggae

Published

Oct 08, 2020