Reggae.be
R.I.P. Toots Hibbert (1942-2020): never get weary
Roots & CultureSep 12, 2020

R.I.P. Toots Hibbert (1942-2020): never get weary

By Jah Shakespear

Toots Hibbert was reggae royalty, samen met Bob Marley een van de weinige Jamaicaanse artiesten die ook een rockpubliek kon bekoren. Voor zijn indrukwekkende palmares en discografie (die bijna 60 jaar omspant) verwijzen we u graag naar Wikipedia en andere bronnen. Voor een persoonlijk eerbetoon bent u hier aan het juiste adres.

In 1980 kocht ik mijn eerste plaat van Toots and The Maytals, amper drie dagen nadat ze was gemaakt. 'Toots Live' was "Recorded & pressed in 24 hours!", zoals de korrelige, kartonnen hoes trots meldde. Het was op zich al een reden om deze limited edition in huis te halen. Veel rauwer en authentieker kon livemuziek niet klinken, als er achteraf geen mix of mastering meer aan te pas kwam. En live reggae was op zich al een zeldzaamheid, zowel in de zalen als op plaat. Alleen Bob Marley en Burning Spear hadden toen al een live-LP uitgebracht, en we konden het aantal reggaeconcerten nog op één hand tellen.

Toots and The Maytals was zeker niet mijn favoriete reggaeband. Ik kende hun grote hits uit de jaren '60, vroege jaren '70 van enkele compilaties: '54-36 That's My Number', 'Do The Reggay' (eerste keer dat het nieuwe genre benoemd werd in een song), 'Monkey Man', 'Pressure Drop', 'Funky Kingston' (een reggaeantwoord op 'Funky Nassau' van de Amerikaanse groep The Beginning of the End), het feestelijke, zwetende 'Reggae Got Soul'… Niemand heeft in Jamaica vaker op nummer 1 gestaan dan Toots and The Maytals. Dankzij de jongens van 2 Tone (The Specials, Madness) kende die tunes rond 1980 ook een echte revival, als inspiratiebron voor de nieuwe ska-golf die toen de hitparades overspoelde.

Maar ik zat volop in de dub, rub-a-dub ook, en tekstgewijs in de klassieke, op Rastafari geënte rootsreggae. Ik had niet zoveel met de snelle ritmes uit de begindagen, en ik hoorde Toots Hibbert op het eerste gehoor toch vooral vlotte meezingers vertolken. Het meest was ik nog onder de indruk van een kort fragment uit een stokoude BBC-documentaire over ska. The Maytals zongen daar, begeleid door het orkest van Byron Lee, de oeruitvoering van 'Bam Bam'. Niet alleen de stem van Toots blies mij omver maar ook de kracht die hij toen al uitstraalde. Zijn ogen fonkelden, zelfs in zwartwit, en hij zong zich haast letterlijk de ziel uit het lijf, zoals we hem dat later zo vaak in levenden lijve hebben zien en horen doen. De meeste reggaezangers hebben een wat introvertere stijl, minder uitbundig. Vaak met een mooier, zuiverder stemgeluid dan Toots maar zonder diens soul en overgave. Hij was een echte gospelzanger, die zijn passie voor de Heer moeiteloos vertaalde naar gloedvolle popsongs. Vandaar ook de scatting en andere vocale improvisaties naar het einde van veel nummers, en zeker live.

Toots spiegelde zich niet specifiek aan Otis Redding maar had wel een gelijkaardig stemgeluid, met een lichte rasp erin. Ook een geboren gospelzanger die overstapte van de kerk naar de concertzalen, om daar als een van de weinige zwarte zangers een wit rockpubliek te bekoren. En zet daar maar meteen James Brown naast, nog een artiest aan wie Toots sterk deed denken, opnieuw en vooral op het podium. Niet dat hij daar uitpakte met bijzondere moves en danspasjes, laat staan met glitterjassen (heeft Toots ooit iets anders gedragen dan een zwarte leren broek en dito gilet?), maar naar reggaenormen maakte hij altijd een bijzonder energieke indruk. Geen Jamaicaanse artiest van zijn generatie, ook Bob Marley niet, wist zijn publiek zo op te zwepen en mee te krijgen in een staccato roes van call and response.

Dat hoorde ik ook meteen op die liveplaat, opgenomen in Hammersmith Palace, Londen op 29 september 1980, en enkele dagen later al te koop in Leuven, bij JJ Records. Er stonden maar zeven nummers op, naast de vrolijke hits ('Pressure Drop', 'Sweet And Dandy', 'Monkey Man' en 'Funky Kingston') het machtige 'Time Tough', eerst traag, dan richting ska (een beproefd recept van Toots), de haast pure gospel van 'Hallelujah' en mijn favoriete track op dit album 'Get Up Stand Up', geen cover van Marley, maar een eigen compositie met dezelfde titel.

Dat laatste nummer was voor mij aanleiding om Toots wat serieuzer te nemen. Blijkbaar had hij ook meer rootsgetinte tunes opgenomen. 'Redemption Song' bijvoorbeeld, ook geen cover en trouwens acht jaar ouder dan de gelijknamige song van zijn goeie vriend Bob Marley. Of het prachtige, melodieuze 'Revolution', nog een titel die Marley gebruikt heeft.

Een paar maanden later verscheen 'Knock Out!', de nieuwe studioplaat van Toots and The Maytals. Hij staat op de cover afgebeeld als de bokser die hij ooit geweest is, en die hij op het podium vaak nog even de vrije loop liet, als onderdeel van zijn geïmproviseerde danspasjes. 'Knock Out!' is geen classic album maar er staan voor mij wel twee klassiekers op, in die zin dat ze me definitief naar kamp Toots hebben gelokt. Misschien ook omdat op de achterkant de teksten stonden afgedrukt van de nummers. 'Careless Ethiopians' is een soort klaagzang over de Afrikanen die de Antichrist zijn gevolgd, en een oproep om het juiste pad te volgen. In het al even bijbels gekleurde 'Never Get Weary' verbindt Toots zijn armoedige jeugd in Jamaica met het lot van de Arawaks en de slaven. "I was down in the valley but I never get weary yet…": de tekstregel is voor mij sindsdien een sterkhouder als het slecht gaat. Nee, mijn volk is niet uitgeroeid en onderdrukt, en ik had als kind niks te klagen, maar toch: "Never get weary!"; niet moe worden, jezelf niet laten gaan, het heilige vuur brandend houden.

Naast de teksten stonden de credits, en die zegden mij in 1981 nog niet veel. Ik had ze ook zien staan op de hoes van 'Toots Live'. Wie waren in godsnaam Paul Douglas (drums), Jackie Jackson (bas), Hux Brown (gitaar), Winston Wright (orgel) en Harold Butler (piano)? Wij kenden toen alleen de Taxi Gang van Sly & Robbie, Roots Radics, Soul Syndicate en een handvol terugkerende muzikanten. Het heeft nog jaren geduurd voor ik erachter kwam dat Toots opnam én live speelde met het kruim van de Jamaicaanse sessiemuzikanten in de tweede helft van de jaren zestig, afkomstig uit de huisbands van Studio One en Treasure Isle. Met Carl Harvey als sologitarist, de man die op het podium vaak helemaal loos mocht gaan, en de sound zo extra rock power gaf.

De andere Maytals, Henry 'Raleigh' Gordon en Jerry Mathias, zijn Toots een leven lang trouw gebleven, sinds 1962, toen het trio gevormd werd. Door de dominante aanwezigheid van hun voorzanger en een al te vaak matige geluidsmix komen de stemmen van het tweekoppige koortje live niet altijd even goed uit de verf. Maar luister eens naar die oude tunes van Toots and The Matyals, meestal opgenomen in één take. Dan hoor je hoe strak die twee zingen, hoe onverstoorbaar ze blijven onder het vocale geweld van Toots, dat soms alle kanten uitgaat. Dan voel je hun focus en concentratie, en hoe ze die nummers ruggengraat geven.

Ik heb mijn Toots-verzameling de voorbije decennia stelselmatig uitgebouwd. Op de 'Anthology' van Trojan stonden bijna 50 tunes uit de periode 1964-1974, zeg maar alle grote en kleine hits die Toots and The Maytals in die periode gescoord hebben in Jamaica en daarbuiten. 'In The Dark' is een wat onderschatte plaat, 'Funky Kingston' komt het dichtst bij wat je een classic album kunt noemen, ook omdat het voor Toots and The Maytals een nieuwe, internationale fase inluidde in hun carrière. Chris Blackwell had met Bob Marley bewezen dat er een publiek was voor reggae buiten Jamaica, en zijn label Island kon best nog een paar andere grote namen gebruiken.

Toots heeft het succes van Marley nooit kunnen evenaren maar genoot wel wereldwijd enorm veel respect en populariteit, in de Verenigde Staten (een zeldzaamheid voor reggae), Europa (waar Toots and The Maytals graag geziene gasten waren op de meest uiteenlopende festivals) én Afrika. Ook in de wereld van pop- en rockmuziek heeft Toots sinds jaar en dag tal van fans en bewonderaars. Getuige daarvan 'True Love', een album uit 2004 met remakes van Toots' grootste hits in het gezelschap van Willie Nelson, Bonnie Raitt, Eric Clapton, Ryan Adams, Jeff Beck, No Doubt, Bootsy Collins, Terry Hall, Ben Harper, Keith Richards en ook Bunny Wailer en Shaggy. Als je die namen in je biografie mag zetten, kun je volgens mij tevreden terugkijken op je carrière, en dat deed Toots ook.

Ik heb het voorrecht gehad om Toots Hibbert ooit één keer te mogen interviewen, op zijn toerbus. Zijn enige ganja song 'Pass the pipe' was al een aanduiding maar ik weet sinds die dag dat hij echt wel een herbsman is, de houten chillum altijd binnen handbereik. En een rastaman, ook al heeft hij de traditionele lyriek van Rastafari nooit verwerkt in zijn songs, hoogstens enkele quotes uit de bijbel. Maar Toots liet er in die bus geen twijfel over bestaan: "Of course mi is rasta, man!". Daar moet je dus inderdaad geen dreadlocks voor hebben, en je moest niet eens Jah! Ras Tafari! te roepen op het podium. Toots was real, hij hoefde niks te bewijzen.

Toots and The Maytals was naast UB40, Sean Paul en Damian Marley de enige reggae act die ooit op Rock Werchter heeft gestaan, in 1981, toen dat nog een dubbelfestival was, Torhout-Werchter. Ze arriveerden wel vier uur te laat: de buschauffeur was verkeerdelijk naar Turnhout gereden in plaats van Torhout. Het is een vaak geciteerde anekdote in de Belgische festivalgeschiedenis, al was het maar omdat ze het beeld van onbetrouwbare, nonchalante Jamaicanen bevestigde. Toen jaren later ook Ziggy Marley te laat kwam opdagen, had organisator Herman Schueremans het wel gehad met reggae. Maar als één band overeind bleef in dat circuit, was het wel Toots and The Maytals, inclusief gitaarsolo's en meezingrefreinen.

Gelukkig heeft het hier nooit ontbroken aan festivals en hebben we Toots and The Maytals de voorbije decennia zowat overal zien spelen, van Sfinks Mixed en Open Tropen tot Couleur Café, Lokerse Feesten, Reggae Geel en Hof ter Loo (TRIX). Soms vertrok ik weleens met lood in de schoenen. Weer diezelfde nummers, weer diezelfde gimmicks. Maar telkens opnieuw wist Toots mij te charmeren en aan het dansen te krijgen, zelfs meezingen en schreeuwen, nochtans niet van mijn gewoonte in het openbaar. Toots Hibbert was gewoon een rasartiest from creation, cool, funky en altijd blijgezind. We zullen hem missen.

Toots Hibbert is in het ziekenhuis van de Mona-universiteit in Kingston gestorven aan Covid-19, omringd door vrienden en familie. Hij werd 77.
Lees ook: Creation Tunes: 'Bam Bam' en de review van de pas onlangs verschenen laatste plaat van Toots and The Maytals, 'Got To Be Tough'.
R.I.P. Toots Hibbert (1942-2020): never get weary

About the Author

Jah Shakespear
Meer

Luistert naar reggae sinds 1977, schrijft er professioneel over sinds de vroege jaren 80 (in De Morgen, De Standaard, P-Magazine, Highlife en vele andere bladen) en richtte deze site op in 2002. Auteur van 'De Rasta Revelatie' (2008) en 'In Het Spoor Van De Keizer' (2016).

Genres

RootsSkaReggaeSoul

Published

Sep 12, 2020