Count Shelly werd geboren als Ephraim Barret in Jamaica. In zijn jonge jaren had hij een korte carrière in de wielersport, maar muziek bleek al snel zijn grootste passie. Hij werd één van de eerste selectors en operators met een eigen soundsystem. In 1962 volgde hij de golf van West-Indische immigranten naar het Verenigd Koninkrijk, en kwam zo terecht in Swindon. Barret was voortdurend op zoek naar venues om te spelen, en aangezien Swindon niet bepaald het kloppend reggae-hart van het continent bleek te zijn verkaste hij al snel naar Londen.
Count Shelly heeft er, samen met landgenoten Duke Vin en Count Suckle, de Jamaicaanse soundsystemcultuur geïntroduceerd. Hij begon er te spelen op bluesdances, en werd al snel resident in de 31 Club in Harlesden, een wijk in Noordwest-Londen. Maar Count Shelly Soundsystem kreeg pas echt naam en faam toen hij in de vroege jaren '70 de 31 Club inruilde voor The Four Aces Club, op Dalston Lane in Hackney. The Four Aces was een van de eerste venues die zwarte muziek speelde in het Verenigd Koninkrijk, en heeft een belangrijke rol gespeeld in de evolutie van reggae. Ze stond gekend als een club voor echte rudeboys en werd druk gefrequenteerd door zangers en muzikanten. Zangers als Ken Boothe, Johnny Clarke, I Roy, Pat Kelly, Jimmy Cliff en zelfs Bob Marley en Stevie Wonder kwamen er over de vloer.

Een eigen platenlabel kon niet lang uitblijven, en in 1972 startte Barret zijn eigen label Count Shelly Records. De discografie leest als een "wie is wie" van early reggae. Tussen 1972 en 1975 bracht hij meer dan vijftig roots en lovers singles uit van zangers zoals Laurel Aitken, Delroy Wilson, Junior Byles, Gene Rondo, Alton Ellis... Eén van zijn belangrijkste wapenfeiten was de productie van Tappa Zukie's klassieke album 'Man A Warrior'. Het label was succesvol, waardoor Shelly in '75 in staat was ook het Jamaicaanse Third World label over te nemen.
Count Shelly was niet enkel actief als producer en sound operator, maar had in Tottenham ook een platenzaak, Body Music. Hij verdeelde er de platen van zijn vrienden Bunny Lee, Ossie Hibbert en Harry Mudie.
Later waagde hij voor een tweede keer de grote oversteek, deze keer naar New York. Hij startte er Super Power Records in Brooklyn. De zaak werd al snel de place to be voor selectors, chanters en toasters zoals Sluggy Ranks en Josey Wales. Er werden verschillende videoclips opgenomen. Kenners kennen de winkel o.a. als de locatie van het vuurgevecht tussen deejays Nitty Gritty en Super Cat, waarbij Nitty Gritty het leven liet.
Super Power Records bleef bestaan tot 2008, toen Barret de zaak moest sluiten door financiële problemen en besloot terug te keren naar Jamaica. Naar verluidt hield hij daar tot aan zijn dood een restaurant open en was hij op het einde van zijn leven niet meer betrokken bij de muziekbusiness.
De betekenis van Count Shelly voor de verspreiding en promotie van reggae in het Verenigd Koninkrijk, en later ook de Verenigde Staten, kan moeilijk overschat worden. Maar zoals zoveel levende legendes was hij een beetje in de vergetelheid geraakt, en kreeg hij niet altijd het respect dat een levende legende als hij verdiende.
Foto: © Dennis Morris