Millie Small gaat de geschiedenis in als een one hit wonder. Maar ze speelde ook een cruciale rol in de internationale doorbraak van de ska, én van het Island-label van Chris Blackwell.
Zeventien jaar was Millie Small toen ze in 1963 haar eerste grote (Jamaicaanse) hit scoorde, een duet met Roy Patton, nadat ze eerder al een combo had gemaakt met Owen Grey ('Sugar Plum') en samengewerkt met Stranger Cole voor Duke Reid. 'We'll Meet' van Roy & Millie was een productie van Coxsone Dodd waarvoor de zanger en de zangeres elk vijf pond hadden gekregen. Het was een van de eerste ska-tunes die ook uptown Kingston in de smaak vielen, bij de vrienden van Chris Blackwell. Die had het nummer uitgebracht op zijn nog jonge label Island Records.
Het was niet de eerste hit van Island. In 1962 was Blackwell nog productieassistent voor 'Dr.No', de eerste James Bond-film, die zich gedeeltelijk afspeelde in Jamaica, maar hij had toen ook al zijn platenwinkeltje aan Half Way Tree. Hij verwierf algauw de rechten voor de releases van Coxsone Dodd, Duke Reid en King Edwards, de meest succesvolle producers van het moment in Jamaica, en leverde de platen met zijn Mini-Cooper aan shops en soundsystems over het hele eiland. Blackwell mocht de rechten ook exploiteren in
Groot-Brittannië en slaagde er zo in om van tunes als 'Forward March' (Derrick Morgan) en 'Miss Jamaica' (Jimmy Cliff) rond de 30.000 exemplaren aan de man te brengen.
In de lente van 1964 haalde Blackwell Millie Small naar Engeland. Ze kreeg dictie- en dansles en dook de studio in met niemand minder dan gitarist Ernest Ranglin. Die maakte een nieuw arrangement voor een rhythm-and-blues-tune die Chris Blackwell vijf jaar eerder uit Amerika had meegebracht voor een soundsystem: 'My Boy Lollipop'. De muziek werd ingespeeld door een lokale Londense band in de nieuwe stijl die destijds Jamaica veroverde: ska. Zij het niet zoals The Skatalites die muziek interpreteerden. In feite werd alleen het nieuwe ritme gekopieerd, zonder de jazzy en orkestrale blazers, zonder de briljante solo's van Don Drummond of Rolando Alphonso, zonder de roffelende drums van Drumbago.
Maar wel een gouden greep met het oog op een internationale doorbraak. De vinylsingle ging wereldwijd ruim zes miljoen keer over de toonbank. Het was de op één na grootste hit van dat jaar in de UK (voor klassiekers van The Beatles, Rolling Stones en Roy Orbison) en nummer 5 in de VS. Chris Blackwell liet 'My Boy Lollipop' overigens uitbrengen op het Fontana-label van Philips, omdat hij had gemerkt dat de BBC de releases op zijn eigen (Britse) Blue Beat-label bewust negeerde. Blue beat: zo werd ska toen nog genoemd in de UK maar het Jamaicaanse woord heeft uiteindelijk gezegevierd.
Millie Small mocht haar hit overal in de wereld gaan performen, vaak voor televisie, en was dat jaar ook een van de hoofdacts op de World's Fair in New York, de wereldtentoonstelling. Daar speelde in het Jamaicaanse paviljoen Byron Lee & The Dragonaires ten dans, met als frontmannen Jimmy Cliff, Blues Busters, Monty Morris en Prince Buster. Ook hier geen Skatalites dus, een beslissing van Edward Seaga, minister van welzijn en ontwikkeling, die liever uitpakte met een groep uptown muzikanten die rum dronken dan met ghetto youths die ganja rookten. Seaga was ook de man die in Back-a-Wall liet slopen, de slums waar alleen muziek en Rastafari uitzicht boden op een beter leven. In 1980 zou Seaga Michael Manley opvolgen als eerste minister van Jamaica.
Byron Lee kende de ska niet eens toen Edward Seaga hem engageerde voor de wereldtentoonstelling. Zijn band speelde vooral mento, calypso en soft Latin, de muziek die de toeristen in de hotels wilden horen. Seaga stuurde Lee naar de getto's om de ska te "bestuderen", in het gezelschap van die andere bekende orkestleider Carlos Malcolm.
Seaga, die zelf een verleden had in de muziekbusiness, hoopte de nieuwe muziek via de World's Fair een boost te geven in de States maar daar is weinig van in huis gekomen. Epic Records bracht weliswaar de compilatie 'The Real Jamaican Ska' uit, in een coproductie met soulgrootheid Curtis Mayfield nog wel, en de Blues Busters kregen een contract bij Capitol. Maar The Sound of Young Jamaica (in navolging van het Motown-motto The Sound of Young America) kende geen succes. Wat zou er gebeurd zijn als niet The Dragonaires maar The Skatalites in dat paviljoen hadden gestaan?
Er doken dat jaar nog wel een paar ska-tunes op in de hitparade maar die klonken al even glad en poppy als 'My Boy Lollipop'. Een groep die zich Migil Five noemde, coverde 'Mockingbird Hill'. De al even onbekende Ezz Reco and The Launchers verdunden 'King Of Kings' van Jimmy Cliff. Ska werd algauw afgedaan als novelty-muziek, een hype van voorbijgaande aard zoals de twist.
Millie Small had in 1964 en 1965 nog een paar kleinere hits en kende een bescheiden comeback in 1969, toen de reggae opkwam. Het album 'My Boy Lollipop' verscheen op het poplabel Smash, met als coverbeeld een grote veelkleurige lolly, opdat er over de betekenis van de titel toch maar geen misverstand zou ontstaan. 'Tutti Frutti' ging ook niet over kauwgom.
Ik heb die plaat ooit gekocht op een rommelmarkt. Ik zet ze haast nooit op maar vind het wel bijzonder om ze in huis te hebben, een relict uit de oertijd van de Jamaicaanse popmuziek. Op de achterkant van de kaft staat een heerlijk promopraatje: "She's Millie Smal, vivacious, bubbling, singing sensation from the land of sunshine and calypso. Here's the fire-cracker voice of 'My Boy Lollipop', the tune that began the Blue Beat dance rage on two continents. Millie says: "Swing it – Sing it – it's fun! It's easy to dance to – just let yourself go and let the music and beat lead you." And let Millie's chirping, chuckling voice on these twelve Blue Beat tunes excite you!"
Over ska werd niet gerept, laat staan over de scene die zich in Jamaica in korte tijd ontwikkeld had. Verderop in de tekst droomt Millie luidop van een eigen huis, zo groot dat heel haar familie er kan wonen, pa, ma, zeven broers en vijf zusters. "Now I earn more in a week than I earned in a year in Jamaica!"
Maar dat geld raakt gauw op, als je uiteindelijk toch maar een one hit wonder blijkt te zijn, en zeker als je het nummer niet zelf geschreven hebt. In 1987, meer dan twintig jaar na haar glorieperiode, liet Millie Small in een zeldzaam interview weten dat ze helemaal aan de grond zat. Voor 'My Boy Lollipop' had ze naar eigen zeggen nooit een cent royalties ontvangen. Kleine troost: in 2011 kreeg ze een hoge onderscheiding, Commander in the Order of Distinction, voor haar bijdrage aan de Jamaicaanse muziekindustrie. Het was Edward Seaga die de award in haar naam in ontvangst nam.
Dan is het Chris Blackwell sinds 1964 een stuk beter vergaan. Island werd van de ene dag op de andere een kapitaalkrachtige, onafhankelijke platenmaatschappij. Op de World's Fair in New York ontmoette Blackwell als manager van Millie Small Edward Seaga en Jimmy Cliff, mensen met wie hij later nog intens zou samenwerken. In Engeland was hij met de zangeres te gast in een tv-show rond The Beatles, en in het tv-programma 'Thank Your Lucky Stars' zag hij de Spencer Davies Group, met de piepjonge (14) zanger Steve Winwood. Blackwell tekende de band bij Island en schoof hen een song toe van de Brits-Jamaicaanse zanger Jackie Ewards, 'Gimme Some Loving'. Zo was hij vertrokken voor een carrière die hem als platenbaas niet alleen bij Bob Marley zou brengen maar ook bij Roxy Music, Grace Jones, U2, Tom Waits, Amy Winehouse en talloze andere eigenzinnige pop- en rockartiesten. Toch een beetje met dank aan Millie Small dus.
Millie Small (73) is op 5 mei gestorven na een hartaanval.