

Na een korte introductie door de tegenwoordig haast alomtegenwoordige Dalilla Hermans, verschijnt LKJ zelf ten tonele, openend met 'Dread Beat An' Blood' en 'Di Great Insohreckshan', twee vroege classics, die hij naar eigen zeggen verplicht moet brengen van de organisatie.
Snel over naar het onderwerp van de avond dus: Michael 'Mikey' Smith. Johnson doet dat door middel van het hernemen van een lezing die hij in 2012 ter gelegenheid van de conferentie 'The Power of Caribbean Poetry: Word and Sound' al eens gaf aan de Universiteit van Cambridge; kurkdroog, haast zonder een enkele keer het publiek aan te kijken, maar wel enorm informatief voor wie de wat in de vergetelheid geraakte Michael Smith nog moet leren kennen of zelfs nooit gekend heeft.
Michael Smith wordt in 1954 geboren in een Jamaicaans gezin uit de arbeidersklasse, maar begint al op veertienjarige leeftijd poëzie te schrijven en gaat net als latere collega's Oko Onuora en Jean Binta Breeze studeren aan de Jamaica School of Drama. Smith ontwikkelt zich volgens Johnson algauw tot een begenadigd woordkunstenaar met een voorliefde voor het extreem-linkse gedachtengoed en de filosofie van Rastafari, waarbij hij zijn poëzie steeds ziet als een manier om de armen en onderdrukten wat hoop en een hart on de riem te steken.
Zijn "internationale doorbraak" komt er in 1981, als hij wordt uitgenodigd was om op te treden op CARIFESTA in Barbados en door de BBC gefilmd wordt voor de documentaire 'From Brixton To Barbados'.
Smith's bekendste gedicht is nog steeds 'Mi Cyaan Believe It', in 1980 al gepubliceerd in Linton Kwesis Johnson's 'Race Today' publicatie, maar in 1982 vereeuwigd op zijn gelijknamige door Island Records verdeelde debuutalbum. 'My Cyaan Believe It' werd geproduceerd door Linton Kwesi Johnson en Dennis Bovell, met onder andere Patrick 'Buttons' Tenyue op trompet, Henry 'Matic Horns' Tenyue op trombone en Angus 'Drummie Zeb' Gaye en Tony 'Gad' Robinson van Aswad op drums en toetsen.
Het is in die zelfde periode dat Smith gefilmd wordt voor het BBC2 programma Arena, resulterend in 'Upon Westminster Bridge', de documentaire die hier later op de avond nog op het programma staat.
In 1983 volgt dan nog een tournee met het populaire Black Uhuru, maar op 17 augustus 1983 komt er abrupt een einde aan Smith's carrière…
De feiten zijn nog steeds niet helemaal opgehelderd, maar Linton vat de dramatische gebeurtenissen zelf als volgt samen: "As far as I understand the facts, Mikey had attended a political meeting in Stony Hill where the ruling JLP Minister of Education was speaking and [he] had heckled her. The following day, he was confronted by three [persons believed to be] party activists, an argument ensued, stones were thrown and Mikey died from a blow to his head.".
In 1989 zorgt Mervyn Morris postuum nog voor een uitgave van Smith's gedichten ('It A Come: Poems by Michael Smith', City Lights Books), maar zowel dat boekwerkje als Mikey's album zijn ondertussen al jaren "out of print" en zo raakte één van Jamaica's grondleggers van de dubpoëzie langzaam maar zeker in de vergetelheid.
Ook de documentaire 'Upon Westminster Bridge' opent passend met Smith die vurig zijn 'My Cyaan Believe It' debiteert. De film is doorspekt met fragmenten van een zinderend optreden van Smith in de Lambeth Town Hall waar hij gedichten als 'Mi Feel It' en 'Roots' bracht. Een ander opvallend fragment is een ontmoeting tussen Smith, Johnson en de Trinidadiaanse journalist, historicus en socialist C. L. R. James; een amicale generatieclash waarbij Smith zich afzet tegen de poëzie van Britse instituten als Shakespeare (wiens naam hij al dan niet opzettelijk uitspreekt als "shakke-spear", tot algehele hilariteit van James) en William Wordsworth en James zich met evenveel vuur uit als een passioneel fan van het werk van Percy Shelley.
Het fragment wordt gevolgd met beelden van Smith die in de Poets' Corner, een gedeelte van Westminster Abbey in Londen waar vele dichters en (toneel)schrijvers zijn begraven of worden herdacht door middel van gedenktekens, Shelley's 'Song To The Men Of England' brengt.
Mikey reist vervolgens af naar Bristol, een stad gebouwd op de opbrengsten van de slavernijindustrie, waar Smith onder andere in de slavenregisters op zoek gaat naar zijn voorouders en een bezoek brengt aan het kerkhof van St Mary's in Henbury, de laatste rustplaats van Scipio Africanus, een Afrikaanse slaaf die als enige kleurling begraven ligt tussen de tombes van rijke blanke Britten uit zijn tijd en zo een symbool werd voor de strijd van de zwarte bevolking in het Verenigd Koninkrijk (in de reggae trouwens ook vereeuwigd in 'Bristol Rock' van Black Roots).
'Upon Westminster Bridge' blijkt een uitstekend tijdsdocument dat zeker een herwaardering op televisie of, waarom ook niet, DVD waard is.
Voor wie na deze literaire avond zin gekregen heeft in meer is er op 28 september nog een gelijkaardige avond waarvoor regisseur, DJ en muzikant Don Letts werd uitgenodigd om de relatie tussen punk en reggae wat nader toe te lichten en een introductie te verzorgen bij zijn vorig jaar verschenen documentaire 'Two Sevens Clash: Dread Meets Punk Rockers'.
Foto's: © Andreas Peeters & Adrian Boot