In het Théâtre National in Brussel streken zaterdagavond een half dozijn levende reggaelegendes neer: Linton Kwesi Johnson, Dennis Bovell, Ken Boothe, Cedric Myton, Winston McAnuff en Kiddus I. Om Bopee en Bubbler niet te vergeten.
Het concert van Inna De Yard All Stars verschilde nauwelijks van de show eerder dit jaar in Brugge. Voor de setlist verwijzen we u graag naar het verslag van die avond. Hoofdrollen dus voor Kevor 'Var' Williams, Winston en Rashaun 'Kush' McAnuff, Kiddus I (dit keer jammer genoeg geen 'Graduation In Zion'), Derajah en uiteraard Cedric Myton, die de voorbije jaren vaker in België was dan eender welke andere reggaezanger.
Of het moest Ken Boothe zijn, die er in Brugge niet bij was. Zaterdag stond hij zelfs twee keer op het podium. Eerst met Inna De Yard, om het prachtige 'Black, Gold And Green' te zingen, en 'Let The Water Run Dry', niet - zoals op de nieuwe plaat - met The Viceroys maar een koortje van Myton, Kiddus & co is natuurlijk ook niet slecht.
Het was de tweede keer dat ik Ken Boothe zag optreden met een nyahbinghi-groep. Zes jaar geleden waren we getuige van een show in het HQ van de Twelve Tribes of Israel in Kingston, waar toen ook de nog vrij onbekende Protoje van de partij was. Je zou het hem misschien niet aangeven maar Ken Boothe is een van de meest orthodoxe rasta's die ik ooit ontmoet heb. Zijn extravagante huis is één groot eerbetoon aan Haile Selassie (en in iets mindere mate aan zichzelf) en hij praat ook over niks anders. Rastafari geeft hem de kracht en de liefde om het nu al meer dan 50 jaar uit te zingen.
En zingen doet Ken Boothe altijd maar beter, of die indruk krijg je toch. Hij mocht het Festival des Libertés afsluiten in de broeierige, volgepakte foyer, gebackt door de altijd ijzersterke Homegrown Band. Hits-à-gogo, zoals gebruikelijk ('Train Is Coming', 'Artibella', 'Moving Away', 'Silver Bird', 'Everything I Own'...), aangevuld met Boothe's nieuwe, smachtende uitvoering van 'Speak Softly Love' (over het thema van The Godfather) en bekroond met twee anthems van de zwarte emancipatiestrijd: 'Is It Because I'm Black' en 'Freedom Street'. Dit was andermaal Ken Boothe in topvorm, en zoals we van hem gewend zijn ook heel dankbaar voor de liefde en het enthousiasme van het publiek. Altijd een groot genot om deze grote meneer bezig te zien.
Ook Linton Kwesi Johnson is na al die jaren een levende legende geworden. Hij treedt nog maar zelden op maar voor dit festival maakte hij graag een uitzondering. Het was ook al de vierde keer dat de vader van de dub poetry hier te gast was. En dus ook de vierde keer dat hij bijna exact dezelfde set bracht met exact dezelfde tussenteksten, verhalen uit de militante jaren '70 in Londen, die de voedingsbodem vormden van zijn gedichten. De allereerste keer dat LKJ naar België kwam, bijna 40 jaar geleden, stond hij nog alleen op het podium, in het voorprogramma van UB40, met in zijn hand de gedichtenbundel 'Dread Beat An' Blood'. Op zich een memorabele set maar zouden wij zonder de dubs van Dennis Bovell ooit van LKJ gehoord hebben?
Wij vergenoegen ons ook altijd op de tunes die de Dennis Bovell Dub band vooraf speelt, nummers die Bovell zelf al had uitgebracht voor hij in zee ging met Johnson en nog bij de band Matumbi zat. Zaterdag onder meer het hypnotiserende 'Row Row Row' en het galopperende 'Pow Wow' (I Roy heeft er ooit nog een fantastische versie van gemaakt), met vorstelijke blazers. Af en toe zingt Dennis Bovell een paar regels maar liever nog laat hij zijn stem verdrinken in de echo's, of galmen als Tarzan.
LKJ, strak in het pak, typisch hoedje, putte vooral uit zijn eerste klassieke albums, 'Dread Beat An' Blood' (toen nog onder de naam Poet & The Roots) en 'Forces Of Victory'. Hij deed hetzelfde als 10, 20 of 35 jaar geleden, statisch en zonder veel poespas, maar de Dennis Bovell Band maakt van elke show toch een belevenis. 'All We Doin' Is Defendin'' klonk meer dan ooit als een dreigend oorlogslied, gebed in bezwerende, postmoderne jazzdub. Het tempo van 'It No Funny' en 'Want Fi Go Rave', oorspronkelijk toch al redelijk snelle nummers, werd nog opgeschroefd. 'Dread Beat An' Blood' en 'Sonny's Lettah' ontbeerden dan weer de dreiging en de stiltes van de originele studio-opnames. Top dubs, daar niet van, maar de poetry raakt zo wel op de achtergrond. Wat LKJ wellicht niet eens zo erg vindt. Hij heeft sinds de jaren '80 nog nauwelijks nieuwe gedichten geschreven of platen uitgebracht. Voor hem was dit duidelijk een routineklus. Johnson verzuimde ook om de link te leggen met de actualiteit, terwijl zijn teksten daar toch om smeken.
Net toen we een drankje gingen halen, verscheen in de foyer Ken Boothe op het podium. We hadden LKJ graag helemaal gezien maar de keuze was in dit geval snel gemaakt, en algauw liep de halve zaal leeg. Beetje jammer toch, dat die timing niet beter was. Maar voor de rest wel een heerlijke avond natuurlijk, met echte zangers, echte songs en echte dubs.