
We waren van plan om vier of vijf dagen in Portland te blijven. Het zijn er uiteindelijk tien geworden. We voelden ons helemaal thuis in die prachtige, groene omgeving. We genoten met volle teugen van de overweldigende natuur, de prachtige stranden, het lekkere eten, de lieve mensen, de toffe yard en het gezelschap van onze gastvrouw (en -heren).
'Nah worry' zegt Pearl, en hij serveert alweer een heerlijke maaltijd. Pumpkin en coconut rice, callaloo (soort spinazie), kip en groenten. Hij zegt het wel vaker maar hij hoeft zich geen zorgen te maken: we nah worry. In de resorts zeggen ze tegen de toeristen dat het 'te gevaarlijk' is om alleen buiten te komen, maar daar merken wij niets van. Veel hangt af van je houding, en er zijn natuurlijk buurten waar je beter niet alleen komt als (blanke) bezoeker, maar het grootste deel van het eiland is dik oké. En zeker mensen als Pearl, die uren kunnen vertellen over Jamaica. What a different kind of life…
Veel groen, dat betekent ook veel regen. En als het regent, valt het leven in Jamaica (zoals in veel zuiderse landen) ineens een beetje stil. Wij blijven 'thuis' wat rondhangen, of gaan inkopen doen in de supermarkt van Port Antonio. Je hoeft in Jamaica geen eigen auto te hebben om je te kunnen verplaatsen. Treinen, metro's, trams of lijnbussen zoals wij die kennen, zijn er niet (wel autobussen over lange afstand en de bekende 'country bus'), de meeste mensen verplaatsen zich met 'route taxis' of 'shared taxis'. Je gaat eender waar op de weg staan en wacht gewoon tot er een taxi voorbij komt die plaats heeft, al is dat relatief. Als wij dachten dat een busje vol zat, konden er nog zeven mensen bij. Een korte afstand (kwartiertje rijden) kost 100 Jamaicaanse dollar, ongeveer 0,85€. Voor de langere afstanden betaal je meer, maar in de steden moet je sowieso overstappen en een andere taxi nemen om je weg voort te zetten. De country taxis zijn onze favoriete manier van reizen, ook al is er weinig of geen plaats om te bewegen, staat de muziek soms wel erg luid en rijden sommige chauffeurs 120km/u, spliff in de mond, Red Stripe binnen handbereik.
De supermarkt is een belevenis op zich, met welluidende merken als Wata (water, natuurlijk), Bigga en Tropical Rythms (frisdrank.) Wij drinken vooral Ting, de nationale frisdrank, met een frisse pompelmoessmaak. Ready fi export!
Na een ontbijt van fried dumpling en plataan trekken we naar Reach Falls. Bubus kent iemand die eigenaar is van het stuk onder de (betalende en drukkere) bekende waterval, en de wandeling ernaartoe is al even mooi. We zien mango's hangen, bananen, kokosnoten, ananassen, breadfruit, platanen, ackee, yam, star apple... Een korte tocht door een stukje jungle brengt ons bij een idyllische plek met kristalhelder water. We zwemmen er als in een droom. Beenie heeft alweer een paar kokosnoten uit een boom gehaald. We drinken the water of life en eten de zachte jelly. Pas als de zon begint te zakken (in JA wordt het elke dag om 6 uur donker) verlaten we deze magische plek. Op weg naar huis stoppen we bij een lokale bekendheid, een vrouw die 'sea creature soup' maakt. Het blijkt een heerlijke opkikker en de perfecte entree voor de red snapper die we later die avond op ons bord krijgen.
Na tien dagen Portland krijgen we een lift van Michael Fox (nee, niet Back to the future), een vriend van Bubus en de eigenaar van Mount Edge, een gezellig guesthouse in de Blue Mountains, een half uur boven Papine (Kingston). Mike en Sarah gaan een weekendje naar een vriend in Ocho Rios, dus Beenie & Bounty kunnen met ons mee in de auto. Irie!
De rit door de bergen is onbeschrijflijk en overdonderend mooi. We houden halt bij Fishdunn Falls, een kleinere waterval waar niemand te bekennen is. Heerlijk fris, dat koude, heldere water. Van een buurtbewoner kopen we verse pompelmoes, cacao en frambozen. Wat een smaak heeft dat fruit hier toch.
Op de radio: Irie FM, uiteraard, de soundtrack van Jamaica. Veel nieuwe muziek, grappige gesprekken, goeie mixes en een paar keer per dag 'cash pot', het (op bijgeloof gebaseerde!) lottospel waaraan iedereen lijkt mee te doen. Een MC roept de nummers af, met een bijhorende betekenis. Eén van de nummers staat voor 'white people'. Als wij toevallig in de buurt zijn en dat nummer wordt getrokken, springen de Jamaicanen recht en verwijten zichzelf dat ze geen lotje gekocht hebben. Ze hadden het kunnen weten!
Next stop: The Gap Café, zowat het enige café/restaurant aan deze kant van de bergen. Redelijk prijselijk, maar het fantastische uitzicht over Kingston maakt heel veel goed. Je kan hier ook cocoa tea drinken, gemaakt van verse cacao, nootmuskaat en kaneel, en ook veel lekkerder dan onze melkvariant. Tien minuten verder ligt Michael's eigen community Mount Edge. We logeren er in zijn gezellige guesthouse, kamers vanaf 15$ (weinig comfort) tot meer dan 100$ (met eigen badkamer), en eten in zijn restaurant Europe in the Summer (de temperatuur in de Blue Mountains.) In The Food Basket, Michael's grote boerderij op de bergflank, kun je groenten en fruit kopen, dagvers en biologisch gekweekt. Ook hier voelen we ons meteen thuis, in het mooie huis en op het terras met het prachtige uitzicht, met als geluidsdecor de stem van Alton Ellis, een krekelconcert en een borrelend riviertje. Michael en zijn dochter Robyn ontvangen hun gasten als vrienden en staan altijd klaar om te helpen of tips te geven. Die nacht ontdekken we dat de peeniewallies (vuurvliegjes) ook de bergen bevolken, een letterlijk schitterend spektakel. Ook Mount Edge is Jamaica at its best. (Wordt vervolgd)