
Rohan Lee heeft eindelijk een opvolger klaar voor For the poor, zijn fel geprezen album uit 2000. Andere band, andere studio, andere producer, andere sound maar de roots zijn intact, en Rohan had nog een handvol uitstekende songs achter de hand. Het verhaal van een Jamaicaanse rastaman die zijn bestemming vond in België.
Ik heb me nooit dichter bij de roots van de reggae gevoeld dan op de dag dat ik Rohan Lee leerde kennen. Samuel Clayton (Brother Sam), stem en spirituele leider van Mystic Revelation of Rastafari, had ons meegenomen naar het hart van Rockfort, de oostelijke buitenwijk van Kingston langs Windward Road. De meeste mensen passeren er alleen op weg van en naar de luchthaven, wij gingen er elke morgen naartoe nadat we een verkwikkend bad hadden genomen in de Mineral Baths van Rockfort. Om half zeven uit de veren, met de auto naar de Mineral Baths, daarna een stevige chalice in Rockfort en dan thuis lekker cornmeal porridge eten: het was die week (en voor Brother Sam het hele jaar door) een vast ochtendritueel.
Later op de dag keerden we meestal nog eens terug naar Rockfort. Naar het Count Ossie Center, waar nyabinghidrummers en hornsmen als vanouds hele dagen zaten te jammen. Zo is het destijds ook gegaan, in de jaren '50 van de vorige eeuw. Count Ossie die met zijn drummers afdaalde uit de Wareika Hills, en daar in contact kwam met de leerlingen van de Alpha Boys School en andere getalenteerde muzikanten. Prince Buster haalde het gezelschap al in 1959 naar de studio om de Folkes Brothers te begeleiden in hun uitvoering van Oh Carolina. Later zou Harry Mudie zich over hen ontfermen, en met Grounation maakten Count Ossie en zijn groep Mystic Revelation of Rastafari omstreeks 1973 een klassiek 3-dubbel album, de ultieme artistieke expressie en bekroning van (op dat moment) 40 jaar rastafari. Ik voelde me bevoorrecht en uitverkoren om daar te mogen zitten, in Count Ossie Center, tussen de bredren van Mystic Revelation en de steeds wisselende gastmuzikanten. Johnny 'Dizzy' Moore (1938-2008), de trompettist, kwam wel eens meespelen. Saxofonist Lester Sterling, de oude Skatalite. En Nambo Robinson natuurlijk, bekend van Sly & Robbie en 1001 studiosessies, maar toen ook vast verbonden aan Mystic Revelation.
From creation: dat was de overheersende vibe in het Count Ossie Center, met op de buitenmuren een Afrikaans gestileerde schildering die ik jarenlang beschouwd had als de hoesillustratie van Tales of Mozambique, de tweede klassieker van Mystic Revelation of Rastafari. Verschillende jongere muzikanten van de groep – waaronder Time, de zoon van Count Ossie – woonden in de nabije omgeving. Het was (en is) geen vrolijke buurt. Zonder begeleiding zouden we ons hier best niet alleen vertonen, was ons al herhaaldelijk op het hart gedrukt. Niemand bij wie we ons veiliger voelden dan Brother Sam, alom geëerd en gerespecteerd, ook en zeker in Rockfort.
Het was in zo'n rommelige yard waar Time, Putus en enkele andere muzikanten bij elkaar kwamen om reggae te spelen, sufferer's music in de ware zin van het woord, de muziek van de verarmde, 'lijdende' Jamaicanen. Ze vertolkten voornamelijk roots hits, Bob Marley natuurlijk, maar ook tunes van Garnett Silk, Luciano en Tony Rebel, de grote cultural artists van de jaren '90. Het klonk allemaal heel rauw en primitief maar de riddims zaten goed en er werd gespeeld met aanstekelijk enthousiasme.
Rohan was zonder twijfel de meest talentvolle en charismatische figuur, en daardoor ook de natuurlijke leider. Hij zat afwisselend achter de drums en de toetsen en zong voortreffelijk. Toen we even later aan de praat raakten, leerde ik een bijzondere rastaman kennen. Uiterlijk, met zijn lange, weelderige dreadlocks, half-Chinees, en door die gemengde afkomst wonderbaarlijk gelijkend op Bob Marley. Donkerhuidige mensen met dreadlocks worden wel vaker aangesproken als Bob Marley, zeker buiten Jamaica, maar de overeenkomst was in dit geval wel heel frappant. Zoals ik in de jaren daarna veelvuldig zou ervaren, met Rohan op stap in Europa.
De volgende dag verscheen hij plots in ons hotel in Sandhurst (nu Prestige) met een cassette. Ik had alleen een kleine taperecorder bij met een benepen sound maar goede wijn behoeft geen krans: wij hoorden meteen dat Rohan iets in zijn mars had. Vrij veel zelfs: naast die uitstekende, Ini Kamoze-achtige stem ook een tiental ijzersterke songs. Niet zomaar riddims of riedels maar mooie composities met goed doordachte strofes, refreinen en arrangementen, opgenomen met echte muzikanten. Dat bestond dus nog in Jamaica! Het eerste nummer was Struggler in the ghetto, een archetypisch roots & culture anthem zoals er sinds de jaren '70 nog maar weinig gemaakt werden in Jamaica. Ook mijn reisgezel John was onder de indruk, Farmer John zoals ze hem in Rockfort noemden. Als hij mijn eerste indruk toen niet volmondig beaamd had, zou ik Rohan Lee later misschien nooit naar Europa hebben gehaald.
Want ja, zo overtuigd waren wij van zijn kwaliteiten dat we besloten om Rohan te presenteren aan het Belgische publiek. Het eerste jaar, 1998, nog in alle bescheidenheid, als solomuzikant, een singersongwriter met een gitaar. Hij kreeg zo ook een plaats toebedeeld op een zijpodium van Reggae Geel, een mooi orgelpunt van dat eerste seizoen. Enkele Nederlandse muzikanten zagen het concert, waaronder saxofonist Hans Van Scharen, een goede kennis van mij. 'Als je ooit een band zoekt voor die gast, wij staan paraat,' gaf hij me mee voor we elkaar in de massa weer uit het oog verloren.
Toen Rohan Lee voor de tweede keer naar België kwam, hadden de muzikanten (inclusief blazerssectie) van de groep die zich intussen The Recipe noemde alle nummers van de cassette onder de knie, en konden we beginnen aan de bescheiden verovering van de Lage Landen. We hadden enkele kleine optredens kunnenversieren, waarvan het eerste op 23 juli 1999, H.I.M. Eartday!, in Lommel. Maar het belangrijkste wapenfeit die zomer was de opname van een album, For the poor. Cocojr. had gezorgd dat we voor een vriendenprijs terecht konden in de bekende Groove-studio in Schellebelle, het schaarse geld van de concerten volstond net om de kosten te betalen.
Ik vind For the poor nog altijd een zeer prijzenswaardige cd, al zeg ik het zelf. Ik heb dat toen onbeschaamd (als vriend en pseudo-manager van Rohan Lee) geschreven maar ik meende het ook. Als ik Rohan niet zou gekend hebben, zou ik de plaat wellicht ook vier of vijf sterren hebben gegeven. Opgenomen in België? Met Hollandse muzikanten? En een popster (met een voorliefde voor reggae weliswaar) als producer? Het was in elk geval een opmerkelijke tour de force, en de cd werd ook geweldig goed ontvangen. Er verschenen lovende reviews in bladen die anders nooit over reggae schreven (Flair, Dag Allemaal), maar ook in The Beat (Roger Steffens: 'the perfect band') en Echoes (John masouri: 'an excellent album'). We hoorden Rohan Lee live op Radio 1 en in Nederland op Radio 3. Er kwamen uitnodigingen van belangrijke festivals als Open Tropen (Turnhout) en Reggae Sundance (Eindhoven). Er was interesse uit Duitsland en Frankrijk, waar Runn Records een deal had met een plaatselijke verdeler. We gingen naar Parijs voor interviews met Ragga en Natty Dread. Zowat iedereen vergeleek Rohan Lee met Bob Marley. De poort naar een Europese carrière stond wijd open.
Maar toen, na het derde zomerseizoen, liep het mis. De onderlinge verhoudingen (tussen Rohan en The Recipe, tussen mij en Rohan, tussen mij en The Recipe) raakten getroubleerd op een manier die ik maar al te goed herkende uit de vele muziekbiografieën die ik al had gelezen. Ik heb Rohan nog kunnen linken aan een nieuwe band, met ondermeer Yosa op drums, Stefaan Blancke op trombone en de vermaarde Bart Maris op trompet (beide hornsmen hebben meegewerkt aan Crush the rock), en hij heeft met die mensen ook een veelbelovende show gegeven in de VK, Brussel. Nog niet zo mooi afgewerkt als de combinatie met The Recipe maar wel een stuk steviger, en donkerder. Jammer dat we daar nooit een vervolg aan hebben kunnen breien.
In 2001 hebben Rohan en ik elkaar de rug toegekeerd, even verbitterd als ontgoocheld. Het heeft een tijdje geduurd voor we weer on speaking terms waren maar toen ik hem in 2007 ontmoette in de studio van Sen-C, hebben we elkaar in de armen gesloten en de spons over het verleden gevaagd. Rohan weet dat ik hem nooit meer professioneel zal steunen en begeleiden als weleer, zelfs niet als ik dat zou willen. Als er één ding is dat ik heb geleerd in die periode, dan wel dat ik geen manager ben. Maar naast de muziek was er ook een intense vriendschap tussen ons, en die kun je nooit uitvagen.
2007 was ook het jaar waarin Rohan Lee de eerste opnames maakte voor wat nu zijn tweede album is geworden, bij diezelfde Sen-C P. Vergelijken met For the poor is moeilijk, omdat ik toen zo nauw betrokken was bij de productie. Wie wel eens de volledige opnames van een plaat heeft meegemaakt in een studio, weet dat de muziek voor eeuwig in je geest en geheugen en gebeiteld zit, en door de unieke ervaring vaak ook voor altijd onovertroffen blijft. Maar dat is meteen ook het belangrijkste verschil tussen beide albums: Crush the rock is opgenomen over een periode van vijf jaar. Sen-C heeft de vocals van Rohan met veel engelengeduld en vakmanschap geconstrueerd tot volwaardige songs, inclusief blazers, backing vocals en lead guitar, allemaal los van elkaar ingespeeld. The Recipe nam alle tunes van For the poor in 1999 samen op met Rohan. De lead vocal is nog eens apart ingezongen maar ook in aanwezigheid van de muzikanten. De enige toevoeging aan die live sound was de percussie.
Dat organische groepsgeluid mis ik op dit album. Het klinkt bijna te perfect om echt te zijn. Wat geen afbreuk doet aan de kwaliteit van de songs en de muziek. No easy way out, lang geleden de enige single die Rohan Lee ooit heeft uitgebracht in Jamaica en één van de nummers op die memorabele cassette, is een klassieke roots tune, somber van toon maar met een majestueuze melodie, prachtige blazersarrangementen ('livicated tot Johnny 'Dizzy' Moore, Rohan's belangrijkste leermeester) en fragiele vrouwelijke backing vocals. Ook Struggler in the ghetto kende ik van die cassette en blijft een van mijn favorieten in het toch al mooie oeuvre van Rohan. Er zijn niet veel Jamaicaanse zangers die minstens een dozijn goede songs hebben geschreven, èchte songs, en daar hoort hij bij (ook al is er op het thuisfront jammer genoeg niemand die dat weet.)
Ook Boi boi boi bekoort, tekstueel en met een mooie rol voor de blazers. Het uptempo Connections en het haast kinderlijke Grass green getuigen van de natuurlijke, optimistische leefstijl die centraal staat in de livity van de rastaman. Rohan Lee brengt soms onheilspellende boodschappen maar compenseert die net als Bob Marley met vrolijke, onschuldige meezingers. Fun time spant wat dat betreft de kroon, doet wat denken aan Jimmy Cliff, maar mijn favoriete track is het niet.
Reggae party en Mocking birds klinken me dan weer wat te poppy in de oren. Het titelnummer van de plaat, Crush the rock, pakt me niet, terwijl Land Africa wel erg druk en zelfs wat pretentieus overkomt. Through the fire begint sterk maar blijft dan toch op de vlakte. Leuk dat we drie dub versions cadeau krijgen, spijtig (voor mij dan toch) dat ze net uit dit vijftal moeten komen. De dubs hadden ook iets stouter gemogen, met meer durf en panache. Of is dat omdat we de sound of Sen-C en de ritmesectie van Asham tegenwoordig wel erg vaak te horen krijgen? Omdat we stilaan verwend zijn, en ook aan Belgische producties almaar hogere eisen gaan stellen?
Dat laatste is dan evengoed een compliment als een punt van kritiek, en ik wil voor Crush the rock toch vooral complimenten bovenhalen. Rohan Lee staat er nog, vocaal en als songschrijver, en hij heeft op 46-jarige leeftijd nog altijd genoeg doorzettingsvermogen om hier weer van nul te beginnen. Live heb ik hem voorlopig nog niet zien schitteren als rond de millenniumwisseling maar met dit album heeft hij (eindelijk) wel een mooie opvolger klaar voor For the poor. Benieuwd of de media en organisatoren hem ook weer zo vlot zullen weten te vinden als toen, en een daadwerkelijke comeback van Rohan Lee mogelijk kunnen maken.

Luistert naar reggae sinds 1977, schrijft er professioneel over sinds de vroege jaren 80 (in De Morgen, De Standaard, P-Magazine, Highlife en vele andere bladen) en richtte deze site op in 2002. Auteur van 'De Rasta Revelatie' (2008) en 'In Het Spoor Van De Keizer' (2016).
Mar 23, 2012