Reggae.be
Jamaica, land we still love Part 6: Marley Foundation
TravelMar 17, 2012

Jamaica, land we still love Part 6: Marley Foundation

By Jah Shakespear

Het heeft lang geduurd maar de erfenis van Bob Marley lijkt nu eindelijk in goede handen. Het huis aan Hope Road heeft de laatste jaren een echte gedaanteverandering ondergaan, de familie verblijft er weer regelmatig en achter de schermen van de muziekbusiness ondersteunen de Marleys ook verschillende sociale en culturele projecten. Kijk, daar is Damian!

De zoon van Lloyd Brevett is vermoord. Okeene had in Emancipation Park een award in ontvangst genomen van JaRIA (Jamaica Reggae Industry Association) in naam van The Skatalites, het orkest waarmee zijn vader tussen 1964 en 1966 de ska tot wasdom had gebracht. Hij bracht de trofee – hem overhandigd door de voormalige premier PJ Patterson, eertijds manager van The Skatalites – naar huis en ging vervolgens nog iets halen om te eten. Okeene Brevett werd neergeschoten op straat, in Seaview Gardens, nochtans een uptown community.

'What has become heart-breaking is that even as we live under this constant shadow of violence,' schrijft Barbara Gloudon in The Daily Observer, 'the world outside sees another picture of us – a nation of exceptional talents. We make the music for the rest of the world to dance. They marvel at our creative spirit – but we don't seem to know the extent of the treasure which is ours. If we did, we wouldn't be wasting it in senseless death.'

True. Lloyd Brevette en zijn vrouw hebben beslist om vroegtijdig terug te keren naar Newark, New Jersey, hun vaste woonplaats. Ze waren naar Jamaica gekomen om zijn oude botten wat zon te gunnen maar deze horror kunnen ze niet verdragen. 'We have given up on this community,' zegt Ruth Brevette. 'We have given up on this place we call home.'

Dit is Jamaica. Hoe mooi en vredevol ook onze ervaringen en ontmoetingen in dit land, overal loert de dood. Hoogst zelden op blanke toeristen maar uiteindelijk is iedereen hier een mogelijke of toevallige prooi. Als die reality je beklemt, blijf je beter weg uit Kingston.

We eten bij King Ital aan Cross Road, het bekendste vegetarische (rasta)restaurant van Jamaica. 'Live longer, eat ital.' We zijn de enige klanten in een laag, groot rechthoekig gebouw. In een hoek staan drie spelautomaten, achter de kassa zit een meisje dat luide r'n'b door de ruimte laat schallen. Achter de toonbank staan twee rasta's. Het geschreven menubord vermeldt een zestal gerechten maar wat we ook bestellen, we komen altijd uit bij dezelfde schotel voor iedereen: rice & beans, groenten, yam, polenta. Zonder zout of kruiden, en dat smaakt zo'n ital schotel toch vrij flets. Het verse pruim-komkommersap volstaat niet om onze lichte ontgoocheling weg te drinken maar we mogen van de kok wel een spliff roken in de yard. Waardoor we toch weer met een goed gevoel vertrekken.

Ik vraag me af of Brenton ons iets heeft wijsgemaakt in Nine Miles. Zou hij ons echt toegang kunnen verschaffen tot het Bob Marley Museum, en kennis laten maken met de zonen Marley? We hebben geen afspraken (wanneer wel eigenlijk?) dus we besluiten om Brenton op te zoeken, aan Hope Road, in het huis van de Marleys.

Een goed teken: als ik door het open venster de naam van Brenton roep, opent de (ongewapende) veiligheidsman van Eliteguard zonder aarzelen de slagboom en mogen we meteen naar binnen rijden. Ik zie meteen dat het domein een serieuze facelift heeft gekregen. Het lelijke betonnen beeld met de felle kleuren is vervangen door een sobere bronzen beeltenis van Bob, in een typische houding, gitaar om de hals, een vinger in de lucht. Vroeger stonden er alleen enkele portretten geschilderd aan de binnenkant van de buitenmuur. Vandaag zijn haast alle muren rond het grote terrein bedekt met dromerig-realistische beeltenissen en taferelen zoals we die kennen van de rasta's en LP-hoezen uit de jaren '70. Rechts van het huis, voorbij het terras van de bar, de sterk uitvergrote hoofden van de acht zonen Marley, naast een even aandoenlijk portret van Haile Selassie. Verderop een groot herderlijk tafereel met als stralend middelpunt, in het midden van de blauwe lucht, een hoofd van Bob Marley. 'Time Magazine The 30 Sexiest Black Men of All Time Nr.2 Bob Marley', geschreven op een roodgeelgroene achtergrond. Bijbelse en paradijselijke verhalen met tientallen kleine, in het wit geklede mensjes.

Het is een komen en gaan van kleine en grote groepen toeristen uit alle werelddelen. Er lopen ook een paar schoolklassen rond, wat vroeger ondenkbaar zou geweest zijn. De nieuwe generatie leerkrachten in Jamaica is opgegroeid met een andere visie op Bob Marley, als historisch-artistiek icoon, en wil die graag delen met de kinderen.

Daar is Brenton. Hij begroet ons als oude bredren en zegt dat we het ons gemakkelijk kunnen maken. 'Have some juice, smoke a spliff.' Hij neemt ons mee naar de achterkant van het huis. In de verste uithoek van het domein staan in een betonnen plantenbak enkele jonge wietplantjes, met een bordje 'Marijuana'. Die stonden vroeger vooraan, naast het standbeeld.

'Yu' know Georgie? Who make the fire light?' Brenton wijst naar de lange muurschildering achter ons. Helemaal rechts zien we een wenende vrouw, links herkennen we Bob Marley met een kom eten. Naast hem een oude, grijze rasta bij een vuurtje. Hij roert in een een pot. We kijken naar een impressie van No woman no cry.

'Georgie!' roept Brenton, en in het deurgat naast de muur verschijnt de oude rasta van het schilderij. 'And then Georgie would make the fire light/As it was log wood burnin' through the night/Then we would cook corn meal porridge
Of which I'll share with you.' Maar toen, in 1973, was Georgie natuurlijk veel jonger. Wonderbaarlijk genoeg zit hij op die muur nu gewoon naast Bob als 80-jarige. Hij woont in een kleine aanbouw van het Marley-huis en koestert zijn bescheiden faam zonder erover op te scheppen.

'In dit huis heb ik Bob nooit gezien,' mompelt hij. 'Ik heb hem gekend in Trenchtown. Willen jullie naar Trenchtown?'

Trenchtown: daar behoor je als toerist niet te komen, heet het. Te gevaarlijk. Gang wars, murder and tribulation. Maar Brenton biedt aan om ons te begeleiden. Hij wil ons de Culture Yard tonen die de Bob Marley Foundation daar mee gefinancierd heeft. Ik heb er iets over gelezen in de Rough Guide: een reconstructie van de 'government yard' waar Bob Marley is opgegroeid.

We rijden downtown, eerst door het dure zakencentrum New Kingston, en dan steeds dieper de verarmde volkswijken in. De straten lijken op het eerste gezicht niet gevaarlijk, we voelen geen dreiging. Maar Brenton wijst enkele plekken aan waar onlangs nog mensen vermoord zijn en zegt dat er in deze buurt regelmatig roadblocks worden opgezet, en dan niet alleen door de politie.

We stoppen voor de ingang van de Culture Yard in het hart van Kingston. Er hangen een paar oude rasta's rond en een hoop kinderen. Een jonge vrouw verwelkomt ons koeltjes (op Jamaicaanse wijze) en leidt ons rond in het kleine openluchtmuseum, een government yard zoals een architect die ooit moet uitgetekend hebben.

Trenchtown is genoemd naar William Trench, een rijke Ier die hier in de 18de eeuw het eerste van vele stukken land aankocht in Jamaica. Na de afschaffing van de slavernij en het vertrek van de plantagehouders en hun familie verloederde het terrein, en werd in de jaren '20 en '30 overspoeld door squatters, zoals die sindsdien grote delen van Kingston hebben ingenomen. Met de bouw van de 'government yards' wilde de Britse koloniale overheid die tendens een halt toeroepen en de bewoners verzekeren van het nodige basiscomfort. Tussen 1940 en 1950 werden hier drie gelijkvloerse blokken gebouwd van zestien kamers, waar evenveel families onderdak vonden. Er waren twee toiletten, twee badkamers en twee keukens voor gemeenschappelijk gebruik.

Zo clean als deze government yard er nu uitziet, heeft Bob Marley hem wellicht nooit ervaren. In 2000 werd het gerestaureerde H-blok opengesteld voor het publiek en erkend als Jamaicaanse erfgoedsite. Ongeveer de helft van de kamers wordt gebruikt als expositieruimte. In de eerste ruimte wordt William Trench voorgesteld, in de kamer ernaast hangen foto's van Bekende Trenchtowners: Vincent Ford, de mentor van Bob Marley, de man die hem gitaar leerde spelen en later de credits zou krijgen voor No woman no cry; Wailing Souls, Joe Higgs, Mortimer Planno, Alton Ellis, Bunny Wailer, Bongo Herman, Ernie Ranglin, een beroemde criquetspeler… In het huisje van Vincent Ford zelf wordt Bobs eerste gitaar uitgestald en hangen foto's van hem met nog prille dreadlocks.

We zien ook het keukentje waar Bob en Rita Ziggy zouden verwekt hebben. Naast de collectieve sanitaire voorzieningen houden twee rasta's een vuurtje brandend, en veinzen dat ze cornmeal porridge maken. Georgie maakt duidelijk dat hij daar destijds ook daadwerkelijk gezeten heeft, met Bob en zijn maats. 'This is where Bob usually hang out, smoke chalice, hold a meditation, get inspiration.'

Voor wie er zin in heeft of een kick van krijgt, is in de Culture Yard een klein guesthouse ingericht, met twee bedden. 25 dollar per nacht, en je mag koken op het vuurtje. In een hoek van het middenplein, onder eenluifel, staat het wrak van een oud VW-busje, waarmee The Wailers zich zo rond 1970 verplaatsten in Jamaica. De gids vertelt dat er plannen zijn om het busje in zijn oude glorie te herstellen, 'maar van mij hoeft het niet. Ik hou van wat echt en authentiek is.'

Ze houdt dus niet van het aartslelijke standbeeld dat vanuit het Bob Marley Museum naar hier is verhuisd, en ook niet van de amateuristische mozaïek die de Lion of Judah moet uitbeelden, in de schaduw van enkele druivelaars en sweetsopbomen. 'We want something much better.'

Van de passage moeten ze het in de Culture Yard uiteraard niet hebben. Hier geen toeristen die toevallig voorbij wandelen en een kijkje komen nemen. De schaarse bezoekers komen zoals wij in auto's of busjes en vertrekken nadien ook weer meteen. Respect dus voor de mensen die toch iets willen maken van deze Jamaican Heritage Site, de overheid, de lokale gemeenschap en de Marley-familie, die het project mee ondersteunt. De Culture Yard is geen glamoureus museum met dure topstukken maar is de geschiedenis van de gewone man en vrouw, zeker dat van de Jamaicaanse sufferers, niet minstens even boeiend als het decadente leven van de rich & famous?

Voor we weer uptown gaan, richting Hope Road, neemt Brenton ons nog even mee naar de New View o' Sale, een gemeenschapscentrum met een eigen (biologische) groententuin, serre en visvijvertje (in aanleg). Het stelt op het eerste gezicht en naar westerse normen weinig voor maar hier, in het hartje van Trenchtown, in de zogenaamde getto's van Kingston, bewijzen jonge rasta's als Donovan en Nicky (echte naam: Duane C. Dodd, verre familie van de Studio One-baas) dat er altijd hoop is, dat zelfs in de goorste modder de mooiste lotus kan groeien. Ook al komen de meeste klanten voorlopig niet om hier verse groenten te kopen maar om te gokken, naast alcohol en herbs de grootste verslaving van de Jamaicanen, een verderfelijke erfenis van de Britten.

Die avond keren we terug naar het Bob Marley Museum, op uitnodiging van Brenton. Toeristen komen er na 5 uur niet meer in, alleen nog Marleys, en bredren en muzikanten. Alle zonen Marley zijn in het land, Brenton zegt dat we zeker een paar familieleden zullen zien. En ja hoor: in het portaal van de voordeur zit Julian gitaar te spelen, met begeleiding van een digitale ritmebox.  Aan de achterkant van het huis staat Damian te praten met Maxi Priest. Van moeder Rita vangen we een blik op in haar zwarte 4x4. Ze laat zich binnen rijden, praat vanuit de auto met een paar medewerkers en vertrekt weer.

Thuis zou ik mijn journalistieke neus volgen, artiesten aanspreken en een interview proberen te versieren. Maar ik voel geen enkele behoefte om de Marleys lastig te vallen. Ik geniet van de vibes en onze aanwezigheid hier. Ik heb me ooit voorgenomen om hier nooit meer te komen, na een zwaar ontgoochelende rondleiding. Nu zie en voel ik dat er weer geleefd wordt aan Hope Road, geleefd zoals in Bobs tijd. Er is altijd muziek, overdag non-stop tunes van Bob Marley en kinderen, 's avonds van muzikanten onder elkaar. Op het binnenplein wordt als vanouds gevoetbald. Ik denk dat Bob vanuit Zion tevreden toekijkt.

 

Jamaica, land we still love Part 6: Marley Foundation

About the Author

Jah Shakespear
Meer

Luistert naar reggae sinds 1977, schrijft er professioneel over sinds de vroege jaren 80 (in De Morgen, De Standaard, P-Magazine, Highlife en vele andere bladen) en richtte deze site op in 2002. Auteur van 'De Rasta Revelatie' (2008) en 'In Het Spoor Van De Keizer' (2016).

Published

Mar 17, 2012