
Het moorden houdt nooit op, de armoede frustreert en kerft diep. En toch is Jamaica een land van hoop doet leven, van mensen die weten dat better days must come. Met de rasta's als verbindende spirituele kracht, zoals we tijdens ons verblijf in Kingston, Ocho Rios en Linstead telkens weer mochten ervaren.
Part 1
Waar anders zou ik als MC de microfoon ter hand durven nemen dan hier, in Nine Miles, het geboortedorp van Bob Marley? Nee, niet in het museum dat rond het toenmalige huisje van mama Cedella Booker is opgetrokken. We zijn niet dat hele eind van Ocho Rios komen rijden, over smalle wegen met gaten en kraters, om na het museumbezoek meteen weer over dezelfde hobbelige route terug te keren, ook al gaat het in dit geval om een prachtige scenic route door de jungle van St.Anne's. We vinden het zelfs een beetje beschamend dat al die toeristen in hun busjes niet eens de kans krijgen (of willen?) om zich in het omliggende dorp te begeven. Door de grote metalen poort naar binnen, de parking op, museumtoer, door een andere poort weer buiten, en daar staat het busje al klaar: zelden een betere tourist trap gezien, met algehele minachting voor de plaatselijke bevolking en gemeenschap, dan deze herdenkingsplaats voor de koning van de reggae.
Hoewel het museum op zich nog meevalt. De eerste bezienswaardigheid is de kleurrijke en rot gefotografeerde bus ('Zion Bus Line') van Chukka Carribean Adventures die iedere dag een paar tientallen toeristen naar hier brengt. Een houten trap leidt ons naar een klein terras waar een hoop lelijke T-shirts liggen uitgestald. Een verveelde vrouw wijst naar de aanpalende toiletten (de meeste bezoekers hebben net twee uur in een busje gezeten) en biedt kaarsen aan 'for Bob's remembrance'. Prijs: 1 dollar. US dollar. Welke toerist heeft er nu Jamaicaanse dollars op zak? Wij dus, maar ook die (100) gebruiken we niet om een kaars te kopen. We zijn hier toch zeker niet in Lourdes?
Een tweede trap komt uit in een bar waar we moeten wachten tot de volgende rondleiding begint. Een volledig aanbod van alcoholische dranken, en op het tv-scherm doorlopend een Amerikaanse documentaire over Bob Marley. Onze gids is General Crazy, bekend van Youtube, volbloed rastaman maar ook een onverbeterlijke joker die hard lacht om zijn eigen grappen. Hij wijst ons erop dat je in dit museum gewoon mag roken, ook sigaretten, en begeleidt ons naar een kleine binnenplaats waar vier rastadrummers nyabinghi-uitvoeringen spelen van Bob Marley tunes. Ook hier staat een kleine bar, en wie zou die muzikanten een kleine fooi misgunnen? De tour is amper begonnen en we hadden al vijf keer geld kunnen uitgeven.
Dan wordt eindelijk de deur naar het heiligdom geopend. Een korte straat met witte kasseien en langs de voetpaden nette aanplantingen – lang geleden wellicht een onbeduidend zandpad – voert langs de graven van opa en oma Marley, Omeriah 'Custos' Malcolm en Yaya. Custos was een notoire bush doctor en Yaya heeft Bob een aantal jaren onder de vleugels gehad in Nine Miles.
Captain Crazy vraagt ons om de schoenen uit te trekken, een vorm van respect (toch Lourdes?) en met hem een liedje te zingen. 'One good thing about music, when it hits you feel no pain.' Als er één tune is van Bob die ik graag mag zingen, dan wel Trenchtown Rock. En Gentleman doet ook mee, zie ik. Ja, dè Gentleman. Reggae star from Germany, naar Nine Miles gekomen met één van die toeristenbusjes. Echt leuk wordt het wanneer Captain Crazy een samenspel opzet met enkele kinderen die buiten de omheining van het domein hoog in een boom zitten. Even wanen we ons in een musical.
Het eerste (en jongste) mausoleum gedenkt Cedella Booker (+2008), de moeder van Bob. Het heeft nochtans lang geduurd voor ze haar zoon enig respect gunde, toen stilaan duidelijk werd dat hij veel geld aan het verdienen was om precies te zijn, en nog meer na zijn dood, toen de geldmachine helemaal tilt sloeg. Maar kom, mama's zijn heilig bij de Jamaicaanse rude boys, en over de blanke vader van Bob Marley hebben ze het hier liever niet.
Op weg naar het huisje van Bob toont Captain Crazy ons een rots, uitgespaard in de betonnen vloer, met groengeelrode beschildering. 'Cold ground was my bed last night,' brengt hij ons in herinnering, 'and rock was my pillow,' een zin uit Talking blues. Dan leidt hij ons in afzonderlijke groepjes en duo's om beurten binnen in de veredelde shack van Bob en zijn moeder. Er ligt een afzichtelijke sprei op bed, en een Bob Marley-handdoek. Op het nachtkastje ligt een kalebas, tegen de muur hangen een oude foto van Ziggy Marley & The Melody Makers en een vlag van Tuff Gong. Niets wat de ruimte authentiek maakt – ik betwijfel sterk dat Bob zo'n comfortabel bed had – maar de kapitein staat erop om van iedereen een foto te maken en maant ons aan om het bed aan te raken. 'You can touch it!'
Het hoogtepunt van de tour is uiteraard het grafmonument van Bob Marley zelf, bijna even groot als de ruimte waarin het is ondergebracht. Of we maar gewoon willen doorlopen, rond het mausoleum, en dan weer naar buiten alstublieft. Op het voetstuk van het monument liggen her en der memorabilia van bezoekers: een armbandje, een beeldje, een briefje. En een foto van Haile Selassie met enkele kinderen. 'Van een Belgische familie,' zegt Captain Crazy desgevraagd. 'Hun nazaten hebben die foto naar hier gebracht.' Meer weet hij er ook niet van.
Dan gaat het terug over de witte kasseien, naar de binnenplaats met de drummende rasta's, en daar recht de shop in. CD's, vlaggen, T-shirts, sportswear, armbandjes, amuletten, beeldjes, rum, foto's, Mama Marley-confituur…: Bob Marley is big business. Niemand die dat beter beseft dan de twee Indiërs die dit museum uitbaten, nog net bereid om een stel authentieke rasta's in te huren als gidsen en drummers (op voorwaarde dat ze niet blowen tijdens de werkuren!) maar toch vooral uit op die miljoenen toeristendollars. Lekkere, biologische confituur, dat wel.
We blazen uit en bouwen een spliff op de veranda van de shop. Uit de luidsprekers klinkt vroege reggae en rocksteady van The Wailers, de eerste versies van Bend down low, Nice time, Stir it up, dat soort tunes. Zo mooi heb ik ze nog nooit gehoord. De omgeving? De weed? Het gezelschap? Zowat alle toeristen zijn meteen weer verdwenen in de klaarstaande busjes, er zitten alleen nog een paar verdwaalde Jamaicanen in de kleine open binnenruimte. Dit is mijn Bob Marley-moment in Nine Miles.
Maar eenmaal buiten wordt de roes ruw verstoord. Drie, vier oude rasta's proberen me spliffs en zakjes weed aan te smeren. Een groep kinderen bedelt om geld. De auto staat verderop, voor ons geen makkelijke ontsnappingsroute naar een busje. Eén jongen breekt mijn hart. Ik stop hem 2000 JA toe (20 euro), en zeg in het bijzijn van de andere kinderen dat hij het moet verdelen. Ze knikken allemaal gretig ja en bedanken mij luidruchtig. Een druppel op een hete plaat, een kleine goedmaker voor de rest van de Nine Miles, een gemeenschap die niet of nauwelijks profiteert van de dagelijkse toeristenstroom die hier passeert.
We rijden weg langs de andere kant van het dorp, voorbij de Cedella Booker Academy, en bijna tegen een muur van luidsprekers. Oude rub-a-dub dreunt over en door de huizen in de omgeving. Achter de knoppen staan een selector en een engineer. Commander Shad, onze gids en chauffeur, herkent de oude rasta aan de microfoon. Ze maken een praatje, en de man vraagt of we geen zin hebben om even te blijven. Waarom niet, gebaar ik tegen Shad, en we stappen uit. Dit kan alleen in Jamaica, en je ziet en hoort het ook overal: een sound system op het midden van de straat, de hele dag en nacht luide reggae en dancehall, en niemand die de politie belt wegens geluidsoverlast. Als de politie al langskomt, is het om mee een biertje te drinken.
Ik krijg amper tijd om in te tunen. Brenton, de MC, hoort dat ik iets ken van reggae, dat ik wel eens deejay ben zelfs, en sleept me naar de microfoon. 'Let mi hear yu' man! I know you are a deejay!' Ik buig het hoofd en verzet me niet. 'Jah Shakespear 'pon the microphone stand! All the way from Belgium, place called Beljam, yu' know!' Brenton bescheurt het bijna. Hij zegt dat hij de vaste chauffeur is van de Marleys, en nodigt ons uit om volgende week naar het museum te komen aan Hope Road, in Kingston. 'Maybe I can take you to the Marley family.' Ja, dat zal wel, denk ik, maar tegelijk weet ik dat in dit land alles mogelijk is. Natural mystic.
Of we hier ook iets kunnen eten? Ja hoor, ga maar achterom. Achter het plaatselijke winkeltje viert een grote groep mensen Aswoensdag, families vooral, met veel kinderen. Er wordt curry goat bereid, rice and peas en yams. We hoeven er niets voor te betalen maar een kleine bijdrage voor de gemeenschap zou mooi zijn.
Eigenlijk is dit ons Bob Marley-moment, in een yard achter een huis in Nine Miles, tussen de mensen die hier net als hij geboren en getogen zijn. En die weten dat muziek geen pijn doet als ze je raakt, hoe groot ook de luidsprekers, hoe luid ook de klank, welke reggae of dancehall dan ook. Het is de muziek van het volk, van het prachtige Jamaicaanse volk.

Luistert naar reggae sinds 1977, schrijft er professioneel over sinds de vroege jaren 80 (in De Morgen, De Standaard, P-Magazine, Highlife en vele andere bladen) en richtte deze site op in 2002. Auteur van 'De Rasta Revelatie' (2008) en 'In Het Spoor Van De Keizer' (2016).
Mar 05, 2012