
Reggae Geel 2010. In de Ska Circus speelt de oudste reggae-dj van het land ten dans. Het was Professor Cat die eind jaren '70 de eerste Jamaicaanse platen importeerde en in zijn shop aan de man bracht. Het was Professor Cat die op de allereerste Reggae Geel de platen draaide, toen er nog geen sprake was van live acts. Eerste deel over de geschiedenis van de reggae in België.
Jacques Chapon (°1951) was amper zestien toen hij al rondhing in de disco's in en rond Soho. Hij had familie in Engeland en reisde regelmatig over het Kanaal, toen nog uitsluitend met de ferry. Vooral de northern soul charmeerde Jacques, de Britse undergroundvariant van de zwarte Amerikaanse hitmuziek. En af en toe hoorde hij ook een ritme dat hij nog niet kende. Israelites van Desmond Dekker moet één van de eerste reggaeplaten geweest zijn die hij leerde kennen. Voor zover de nieuwe Jamaicaanse pop toen al zo genoemd werd.
In de jaren die volgden, openbaarde zich voor Jacques een fascinerend muzikaal universum. Ska en rude boys, rocksteady en roots men, dub en toasters, Lee Perry en Studio One, de hele wonderlijke wereld van de reggae die wij allemaal zo liefhebben. Londen was toen nog heel dicht bij Kingston. Een vriend van Jacques's vader, een piloot, bracht bovendien regelmatig ska-platen mee uit Amerika. Prince Buster, the Skatalites…
Maar ook in België bewoog er al iets. In de populaire discotheek Popcorn in het Oost-Vlaamse Vrasene weerklonk iedere zondag (na de middag!) zwoele, zwarte dansmuziek: soul, mambo, chacha, ska en vroege reggae. De dj's van de zogenaamde Belgium Sound kochten meestal grote pakketten van honderd of meer singles en scheurden het label af, om andere platenruiters (ja, zo werden ze toen soms genoemd) het nakijken te geven. Precies wat ook gebeurde in het Jamaica van de jaren '50, toen Duke Reid en Coxsone Dodd hun Amerikaanse importplaten onherkenbaar maakten.
Popcorn was in die dagen, eerste helft van de seventies, ook de verzamelnaam van zowat alle hitmuziekjes die buiten de mainstream pop en rock vielen, en die de mensen daardoor niet meteen konden plaatsen. 'Popcorn' zelf was het boegbeeld van het genre, in ons land in de uitvoering van Anarchic System, maar het hoefde niet altijd dat soort voze deuntjes te zijn. Soul, latin, reggae, ska en andere exotische klanken (het woord wereldmuziek bestond nog niet) werden door elkaar gehusseld tot een vrolijke cocktail die de dansvloer in de Popcorn (de club) steevast deed vollopen. Er werd naar verluidt zelfs op de tafels gedanst. Eén van de grootste succesnummers in de Popcorn was 'Shockers Rock', een fabuleuze 12" op Studio One, een verhaal dat enkele jaren geleden bevestigd werd in de hoesnota's van de compilatie-CD 'Studio One Scorchers' op Souljazz. "…it proved to be a huge hit on the Belgian ska scene in the seventies."
Laurel Aitken, naar eigen zeggen de uitvinder van de ska, speelde handig in op de trend met zijn 'Reggae popcorn', en de opvolger 'Mr Popcorn'. In 1972 al verscheen de LP 'The Fantastic Laurel Aitken', een dozijn aanstekelijke tunes die funk verzoenden met hoekige reggae. De titels zijn puur popcorn: 'Chop chop rock', 'Dallas Texas', 'Do the boogaloo', 'Reggae mood'. De plaat werd uitgebracht op het Belgische label Hebra en toont Laurel Aitken op de hoes als een soort modfather, strak in het pak, coole zonnebril, rude boy kapsel. 'To my friend Karel,' heeft hij een kleine kwarteeuw later op mijn exemplaar geschreven. 'Godfather of Ska Laurel Aitken'. De zanger zou voor de eerste keer optreden in België, op de Antilliaanse Feesten nota bene, en ik kon hem interviewen in Londen. Op een metrostation, en als ik een hamburger betaalde voor hem. Aitken mocht dan al geroemd worden als pionier, rijk is hij nooit geworden.
Er waren nog Belgische platenlabels die reggae uitbrachten in het zog van de popcorn hype. Op Blue Elephant/Fonior verscheen in 1977 de opmerkelijke verzamel-LP 'King Size Reggae', met aanstekelijke tunes van onder meer Chicken George (genoemd naar een figuur uit de tv-serie Roots), Barry Biggs ('Work all day' is een geweldig slavernij-anthem), Prince Buster, The Ethiopians, The Mexicano (een maffe toast op Marley's I'm still waiting), JJ Bennett (met de Jamaicaanse überschmalz van Leaving Rome) en de twee popcornhits van Laurel Aitken. IBC (International Beststeller Company) kwam op de proppen met de compilatie 'Special DJ Vol.1', met tracks van Toots, Alton, Dillinger, Ken Boothe, The Pioneers en John Holt, en een remake van de wereldhit 'Egyptian reggae' van Jonathan Richman & The Modern Lovers door Ramses Ballet, letterlijk het ballet van Ramses. Nooit meer iets van gehoord, en ook Vol.2 is er bij mijn weten niet gekomen. De release paste in de plotse populariteit van de reggae in de tweede helft van de jaren '70, aanvankelijk nog beschouwd als een uitloper van de popcorn maar algauw een genre en een stroming op zich. Met de Jamaican Survivors hadden wij zelfs ons eigen ska-orkest, de voorlopers van The Internationals.
Mijn eerste reggaeplaatjes beschouwde ik nog als een verbasterde vorm van disco. Ik wàs een discokikker, niet zo flamboyant als John Travolta, maar toch een trouwe bezoeker van de Antwerpse clubs rond de Grote Markt. Ik kwam er in de eerste plaats voor de muziek, zoveel warmer en positiever dan de rockmuziek uit die tijd. Ik had de 12" leren kennen, ook wel discosingle genoemd, lang uitgesponnen versies die mij (achteraf bekeken) warm maakten voor de dub. Hoewel ik van 'Sticks man' (Black Slate) en 'Cokane my brain' (sic, Dillinger) nooit discosingles heb gevonden, toch niet van de hitversies. De 7" van Black Slate leg ik nog regelmatig op, thuis, op de radio en in de dance. Discoreggae was het, zoals ook Winston Fergus die maakte, en andere Britse Jamaicanen. Ook 'Sticks man' is uitgebracht op IBC, in België dus. Ergens diep in West-Vlaanderen zou zelfs al een studio geweest zijn waar reggae werd opgenomen, maar daarover ontbreekt voorlopig iedere informatie. Uw herinneringen zijn welkom. Misschien zijn daar destijds de obscure instrumentals van Chalawa opgenomen, 'Hop skip and jump' bijvoorbeeld (12" op diepblauw vinyl, soms ook dieprood) of de dubdisco version van de jazz-standard 'Take five' (volwit!), toegeschreven aan de Disco Reggae Band, een predikaat dat ook het hoesje siert van 'Sticks man'. Het zijn stuk voor platen die ik nog altijd koester. Ze hebben voor mij de brug gelegd tussen de discotheek en de dancehall, tussen zwarte Amerikaanse muziek en Jamaicaanse reggae. Overigens werden de platen van Chalawa op het Bestseller-label uitgebracht onder licentie (van het Londense Tempus Records). Waarschijn toch Engels dus. Maar op de cover van 'Take five' staat naast de naam van het label Music Master zowaar een adres, Oostremwegel 1, Laarne 9270, met telefoonnummer en telex! Wat heeft zich daar toen allemaal afgespeeld, in een tijd dat de woorden reggae en ganja hier nog amper bekend waren?
Ook mijn allereerste 'echte' reggaeplaat is een Belgische release. 'Majestic dub' van Joe Gibbs & The Professionals, op IBC. Opnieuw mooi rood gekleurd vinyl, blijkbaar een Belgische specialiteit in die periode. Ook de 12" 'Rockers of love' van Joe Gibbs, een kitscherige productie met een hilarische intro, werd geperst op rood vinyl. Waarom ik ineens dub wilde kopen? Dat was de muziek die mij het meest aansprak in het nieuwe bakje 'Reggae' dat de platenwinkels hadden ingevoerd. Bob Marley, popcorn en disco hadden de westerse oren geopend voor nieuwe dansritmes, en in daarvan profiteerde vooral de reggae. In 1978 scoorde de perfecte Britse popband 10CC met 'Dreadlock holiday',en met het bijhorende filmpje, lang voor de komst van MTV, opgenomen in Jamaica. Enkele maanden later krioelde de hitparade van de reggae: 'Don't look back' (Peter Tosh & Mick Jagger), 'Now that we've found love' (Third World), 'Stir it up' (Bob Marley & The Wailers), 'Mary Mary' (Inner Circle), 'In m'n caravan' (Will Tura). En dan hebben we het nog niet over The Police, The Clash, The Specials, Madness en andere groepen die reggae en ska vermaalden tot pittige pop. In de zomer van 1979 was reggae overal: op radio en tv, in de clubs en op fuiven, in grote en kleine platenwinkels.
En zo komen we opnieuw bij Professor Cat. In 1978 achtte hij de tijd rijp om naar Jamaica te reizen, samen met Luk 'Lui Lucky' Zwinnen (zijn compagnon achter de knoppen op de eerste Reggae Geel, vader van Crucial Alphonso) en twee madammen. Twee maanden hebben ze ginder rondgehangen, zonder veel bagage, wel gekleed in militante outfits met rasta-accessoires. In Uptown Kingston leerden al meteen ze de zanger/pianist Richard Ace kennen, die op dat moment een grote hit had met zijn discoreggae (!) uitvoering van 'Staying alive', het disco anthem van de Bee Gees. De tune bleek de perfecte metafoor voor de eerste week van het verblijf in Jamaica. Ace maakte het gezelschap een kleine duizend dollar lichter met de belofte dat hij zijn gasten 'de echte rasta's' zou leren kennen. Hij nam hen mee naar een stalletje op straat waar een man met dreadlocks groengeelrode spulletjes verkocht.
Het was ene Trevor die het viertal uiteindelijk daadwerkelijk op sleeptouw nam in de wereld van reggae en rastafari. Hij hoefde daar geen cent voor te hebben. Brethren, you know. Shanty Town, Trenchtown: metTrevor aan hun zijde kon de Belgen blijkbaar niks overkomen. Hoewel het soms best link was. Toen ze op een nacht een grote nyahbinghi bijwoonden, 2000 rasta's in een park, en Mutabaruka hel en verdoemenis uitsprak over de zee van rood bloed die de Europeanen hadden achtergelaten, voelden ze zich als enige blanken in de massa even heel ongemakkelijk. Als Trevor toen niet had ingegrepen, zouden de blanke bezoekers het terrein allicht niet verlaten hebben.
Jacques Chapon was niet alleen in Jamaica als toerist en reggaeliefhebber. Hij had het plan opgevat om in Antwerpen een winkeltje te openen waar hij alleen maar reggae zou verkopen. Niet voltijds, maar wel met de bedoeling om de Belgische markt te verrijken met een specifiek aanbod, Jamaicaanse en Engelse import die je nergens anders kon vinden. Zoals de vele honderden platen die hij in 1978 inkocht bij Randy's en Studio One bijvoorbeeld, het fundament van zijn eigen unieke collectie maar ook van de stock in zijn winkeltje.
Rasta Connection was gevestigd boven het illustere Pannenhuis op het Antwerpse Conscienceplein, waar in de jaren '60 Pink Floyd nog had opgetreden. Jacques had de ruimte helemaal geel geschilderd, met hier en daar zelf ontworpen, postpunk designelementen. Naast de toonbank stonden er enkel platenbakken op tafels, verdeeld in de labels en categorieën die ons pas later echt vertrouwd zouden worden. Dub, toast, Studio One, Treasure Isle, het voortreffelijke Engelse Burning Sounds…
Het was in dat bijzondere winkeltje dat reggae definitief mijn hart heeft veroverd. Jacques reisde om de twee weken naar Londen, om bij Jet Star de nieuwste platen in te kopen, en dat waren in die glorieuze jaren bijna allemaal klassiekers, of zo leek het toch. Uren hebben we daar gestaan, singles luisteren, LP's checken, en op het einde telkens weer veel te veel geld uitgeven. In de Rasta Connection zijn toen, eind jaren '70, de eerste kiemen ontsproten van wat nu de Beljam Massive wordt genoemd.
Uiteraard had Professor Cat ook een 'sound sistem' (in pseudo-progressieve spelling). Motto: "Rasta Connection give Music injection to de population of de nation". De allereerste feestjes gingen door in een kraakpand in de buurt van het Conscienceplein. "Reggae til you puke" meldden de flyers, om ook de punkers te lokken. Later verhuisden we met z'n allen naar zaal Samson in de Pelikaanstraat en het Koetshuis in de Harmoniestraat. Het absolute hoogtepunt in het bestaan van Rasta Connection Sound Sistem was het Oudejaarsavondfeest in het voormalige pakhuis Montevideo (later Paradox, nu een tapasrestaurant), 1981. Liefst 3500 mensen kwamen er het nieuwe jaar vieren op de tonen van de reggae. Professor Cat (en engineer Doctor Dog) hadden tegen dan een veelzijdige sound system uitgebouwd, met echokamer en basversterkers, toen nog echte noviteiten in de Belgische uitgangswereld.
Jacques Chapon heeft ook het eerste optreden van Burning Spear in België georganiseerd, in de sporthal Alpheusdal. 16 januari 1981: het was voor ons allemaal een onvergetelijke avond, Spear in de kracht van zijn leven, klassieke rootsreggae op het hoogste niveau. Met dank aan Professor Cat. Op 30 september 1982 zou Rasta Connection Horace Andy, Max Romeo en het Britse Matumbi naar Hof ter Lo halen, het begin van een lange reggaetraditie in die zaal. Met Andy en Romeo kregen wij opnieuw twee van de grootste Jamaicaanse sterren te zien, zangers die nog nooit in Europa waren geweest, namen waarvan we tot dan alleen maar konden dromen. Het is geen toeval dat net die twee artiesten sindsdien een schitterende live carrière hebben uitgebouwd, en konden samenwerken met Europese topmuzikanten.
Na de winkel en de sound kwam (naar aloud Jamaicaans gebruik) het platenlabel. De eerste release op Rasta Connection was een single van General Saint & Clint Eastwood, het eerste album 'Militant stylee' van Militant Barry. Deze old skool toaster, een protégé van Tapper Zukie, had in Jamaica een hit met het sterk geëngageerde 'Green Bay murders' maar woonde toen in Londen. Daar had Jacques ook Linval Thompson leren kennen, en wijlen Keith Hudson, en Doctor Alimantado, en Jah Woosh (foto met Professor Cat en Lui Lucky). Zukie zelf was dan weer een kennis van Rosalie Van Leer (de ex van Thijs Van Leer, Exception) die zelf in Geel woonde. Zukie was overigens ook de naam van de eerste kat van Professor Cat.
Militant Barry was de eerste rastaman die ik destijds ontmoet heb, ten huize van Lui Lucky. Carlton Jackson was er ook bij, een zanger die had opgenomen in de Black Ark ('History') en toen (ook hij) pas zijn eigen label had opgericht. Ik vergeet nooit hoe Barry de hals van een bierflesje sloeg, een prop zilverpapier in de opening duwde en daar een flinke hoeveelheid, vooraf zorgvuldig gecleande Thai-wiet op legde. Waarna beide mannen hun muts afnamen, de lange dreadlocks wild in het rond zwierden en eer betoonden aan Haile Selassie. "Jah! Rastafari! King of Kings, Lord of Lords…' U kent de litanie. Het duurde meer dan een half uur voor Barry eindelijk zijn eerst trek nam uit de omgedraaide flessenhals. Dus zo behoor je ganja te consumeren, dacht ik, met respect voor de plant en in de naam van Ras Tafari. Niet dat ik sindsdien telkens een uur vrij maak om iets te roken maar dat bewustzijn is nooit helemaal verdwenen.
De plaat van Militant Barry zat in een hoes die de huisstijl van Rasta Connection weerspiegelde. Een grappige fotomontage, pre-digitale, licht anarchistische lettering, geometrische motieven. Een voorbode van het computertijdperk dat Jacques begin jaren '80 enthousiast zou instappen. De Rasta Connection verhuisde naar de Ernest Van Dijckkaai (naar het gebouw waar tot vandaag Radio Centraal huist), waar Jacques de verkoop van reggaeplaten koppelde aan de vroegste videospellen, die je alleen maar ter plaatse kon spelen, op grote apparaten. Rasta Connection werd Micro Connection, geïnspireerd door de eerste primitieve Sinclair-computers.
Reggae zou geleidelijk naar het achterplan verschuiven, toch in het beroepsleven van Jacques. In de jaren '80 en '90 heeft hij zich toegelegd op de import, verdeling en productie van telkens weer nieuwe digitale gadgets en machientjes. Maar Professor Cat bleef wel zijn radioprogramma op Radio Centraal presenteren, nu al 32 jaar lang iedere dinsdagavond van tien tot middernacht, in zijn heel eigen, zorgeloze stijl. Voor zijn indrukwekkende platenverzameling heeft hij in zijn huis een hele kamer vrijgemaakt, met platenspeler. Niet zozeer de omvang van de collectie (hoewel: wie heeft er tegenwoordig nog een paar duizend platen in huis?) als wel de kwaliteit is onovertroffen. Professor Cat heeft zowat alles van Studio One in huis, om maar die afdeling te noemen. Af en toe komt hij daar ook mee naar buiten, de laatste jaren weer meer dan in de voorbije decennia. Op Reggae Geel 2010 bijvoorbeeld, meer dan dertig jaar nadat hij het festival zelf mee op gang heeft geschoten. Respect is due.
Aflevering 2: de Antwerpse scene in de 80ies

Luistert naar reggae sinds 1977, schrijft er professioneel over sinds de vroege jaren 80 (in De Morgen, De Standaard, P-Magazine, Highlife en vele andere bladen) en richtte deze site op in 2002. Auteur van 'De Rasta Revelatie' (2008) en 'In Het Spoor Van De Keizer' (2016).
Jul 31, 2010