
De feiten zijn bekend: Christopher 'Dudus' Coke moet uitgeleverd worden aan de Verenigde Staten en dat pikken zijn aanhangers niet. West-Kingston staat in brand, bijna 50 mensen zijn gedood, meer dan 500 gearresteerd. Hoe is het ooit zo ver kunnen komen? De wortels van de problemen reiken diep terug in de vorige eeuw.
22 april 1978. Twee jaar na de nooit opgehelderde aanslag op zijn leven is Bob Marley voor het eerst teruggekeerd naar Jamaica. In Londen heeft hij Exodus gemaakt, het album dat het weekblad Time 18 jaar na zijn dood de belangrijkste plaat van de 20ste eeuw zal noemen. Marley viert zijn thuiskomst met een concert in het National Stadium van Kingston, waar ook Peter Tosh (met een vlammende speech tegen de politricks en het shitstem), Dennis Brown en andere sterren uit de golden age of reggae die avond hun opwachting maken. De sfeer is euforisch, niet alleen omdat Bob Marley eindelijk nog eens voor eigen volk speelt maar ook omdat het spektakel het bestand bezegelt tussen Claudius Massop en Aston 'Bucky Marshall' Thompson, de twee machtigste bendeleiders van hun generatie. Samen hebben ze hun oude vriend kunnen overtuigen om zijn vrijwillige ballingschap op te geven en dit One Love Peace Concert af te sluiten. Bob Marley draagt een mouwloos hemdje dat Massop speciaal voor hem gemaakt had, groen, geel en rood natuurlijk, met op de rug een ruw silhouet van het Afrikaanse continent.
Bob kent Massop al van in de jaren '60, toen de gangsters nog gewoon rude boys waren, en The Wailers alleen bekend in Jamaica. Het was trouwens voor zijn minder fortuinlijke maats dat Bob Marley destijds zijn bekendste nummers heeft geschreven, Simmer down en One love (toen nog in een snelle ska-uitvoering), hartstochtelijke smeekbedes om het alstublieft rustig te houden in de sloppenwijken. Het was ook toen, amper enkele jaren na de onafhankelijkheid van het eiland (1962), dat de contouren van de latere bendestrijd zich al begonnen af te tekenen.
Maar vanavond, in het enige sportstadion van het land, wordt de strijdbijl tussen de Spanglers van Bucky Marshall en de Shower Posse van Claudy Massop definitief begraven. Jarenlang hebben de bendes elkaar het leven zuur gemaakt in de verpauperde wijken van Kingston (Trenchtown, Jonestown, Rockfort). Jamaica is uitgegroeid tot één van de meest moorddadige landen in de wereld, waar elke verkiezing gepaard gaat met grootscheepse rellen, en huiselijk geweld gewoon wordt voortgezet op straat. Nu zijn de bendeleiders tot het inzicht gekomen dat niet de andere posse hun vijand is maar de politiek, de machthebbers die er maar niet in slagen om het land enige welvaart te brengen. Als de politici niets ondernemen, zullen zij de boel wel opruimen, de mensen te eten geven, schoon water verzekeren en nette woningen laten bouwen. De rasta's onder de bendeleden dromen zelfs luidop van een nieuwe maatschappelijke orde, een socialistische theocratie, die tegelijk lonkt naar Cuba en Ethiopië.
Niet zo ver gezocht als op het eerste gezicht lijkt. Michael Manley, de premier van Jamaica, heeft de banden met Fidel Castro stevig aangehaald, op zoek naar een derde weg, ergens tussen Miami en Havana, tussen het Cubaanse socialisme en het Amerikaanse kapitalisme. Van Haile Selassie, de keizer van Ethiopië en levende god van rastafari, heeft Michael Manley een kunstig bewerkte houten staf gekregen, die hij zelf met een bijbelse metafoor de rod of correction noemt. Precies wat de rasta's willen horen, nu hun beweging ook internationaal stilaan erkenning begint te krijgen en reggaemuziek hun boodschap wereldwijd uitdraagt.
Maar ook zonder muziek en religie zijn is de Jamaicaanse politiek onlosmakelijk verweven met de misdaadwereld. Manley's partij, de (centrum)linkse People's National Party (PNP), heeft sterke banden met de Spangler posse van Bucky Marshall. Edward Seaga van de (centrum) rechtse Jamaican Labour Party (JLP) is de politieke beschermheer van Claudy Massop. Hoewel je voor hetzelfde geld kunt zeggen dat hij aan het hoofd van de partij is gekomen dank zij de hand- en spandiensten van diens Shower Posse. In Jamaica kan geen enkele politicus aan de macht komen zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de bendeleiders in zijn kiesdistrict.
Zo is het altijd geweest op het eiland, al van in de jaren '50, toen Jamaica nog deel uitmaakte van het Verenigd Koninkrijk. Niet zozeer de ideologische verschillen tussen beide partijen maakt het verschil maar de uitstraling van de leiders, en de aanhang die ze weten te verwerven. Political tribalism noemen sociologen dat fenomeen, een veredelde stammenoorlog dus. Us and them.
Die houding vertaalde zich na de onafhankelijkheid in een vorm van politieke patronage, waarin vooral de JLP zich uitermate bedreven toonde. Edward Seaga, dan nog minister van Community Development and Welfare, wist in het westen van Kingston, zijn eigen kiesdistrict, tal van werkloze rude boys te overtuigen om zich aan te sluiten bij de jeugdorganisaties van de JLP, in ruil voor sportuitrusting en andere faciliteiten.
Het gevolg laat zich raden: het bendegeweld kreeg een politiek tintje. Het was voortaan JLP tegen PNP. De rude boys kregen nog meer zelfvertrouwen, gesterkt als ze zich voelden door hun politieke broodheren. De schrijnende armoede en sociale onrechtvaardigheid leidden tot stakingen en gewelddadige demonstraties, die door de tweestrijd tussen beide partijen nog werden opgestookt. In 1966 werd om die reden zelfs de noodtoestand afgekondigd. Politie en militairen hadden ondanks hun overweldigende logistieke overmacht (boten, helicopters, oorlogswapens) alle moeite om de straten schoon te vegen en de rude boys terug te drijven. Net als vandaag werden alle huizen in West-Kingston een voor een doorzocht. Twintig doden, meer dan vijfhonderd gewonden en talloze geplunderde winkels en kantoren: dat was de tol van een drama dat zich nog al te vaak zou herhalen in Kingston. Het was ook in die hete zomer dat het ritme van de ska vertraagd werd tot rocksteady, een signaal van de muzikanten om de gemoederen te bedaren.
De evil genius van het oplaaiende geweld was Edward Seaga, door de oppositie smalend Minister for Devilment and Warfare genoemd. Zijn eerste beleidsdaad was de ontruiming van Back-o-Wall, een sloppenwijk die toevallig bevolkt werd door PNP-gezinde rasta's. Zonder enige waarschuwing kwamen een vloot bulldozers en 250 soldaten de boel platgooien.
Zestien jaar later is diezelfde Edward Seaga nog altijd het boegbeeld van de JLP en de grote tegenstander van premier Michael Manley. Hij kan rekenen op de stilzwijgende steun (en nog veel meer dan dat) van de Verenigde Staten, die Jamaica tot iedere prijs in hun invloedssfeer willen houden. Hij onderhoudt nauwe contacten met de lokale CIA-afdeling (voor wie het land een absolute prioriteit is) en mag zich verheugen in de sympathie van het Internationaal Muntfonds (dat al even allergisch reageert op Manley's pogingen om zijn land los te weken uit de westelijke invloedsfeer). Hij verspreidt het gerucht dat de PNP contacten onderhoudt met de KGB, de veiligheidsdienst van de Sovjet-Unie. Om zijn conservatieve boodschap kracht bij te zetten, voorziet Edward Seaga zijn volgelingen in de getto's heimelijk van massa's vuurwapens, een praktijk die ook de luitenanten van zijn politieke tegenstrever niet vreemd was. De flight cases met geluidsmateriaal die Chris Blackwell (manager en producer van Bob Marley, baas van het Island-label) voor het One Love Peace Concert moet ophalen in de haven van Kingston, zijn deels gevuld met het nieuwste wapentuig dat Bucky Marshall uit de States heeft laten overkomen.
Op het einde van de avond, tijdens een wervelende uitvoering van Jammin', haalt Bob Marley de twee politieke leiders op het podium, laat hen elkaar boven zijn hoofd de hand reiken en zegent hen, niet zonder gevoel voor drama, in de naam van rastafari. Een donderslag bij heldere hemel, een bliksemschicht doorklieft de lucht. Natural mystic. De 35.000 toeschouwers zijn door het dolle heen. Voor het eerst sinds het bezoek van Haile Selassie aan Jamaica in 1966 durven ze weer hopen op een betere toekomst. Daar zullen de mannen op het podium samen voor zorgen, artiesten, politici én bendeleiders.
Maar het moment zou niet meer dan een photo opportunity blijken. Het bestand zou amper een paar maanden standhouden. Claudy Massop werd begin '79 vermoord, Bucky Marshall een jaar later. De JLP en de CIA zetten hun pogingen om de Jamaicaanse regering te ontwrichten onverminderd voort, en vonden in de draconische besparingsmaatregelen van het IMF de ideale voedingsbodem om de sociale onrust in het land aan te wakkeren. Grote stakingen en demonstraties legden het land lam. In de aanloop naar de verkiezingen van 1980 vielen er bijna duizend doden. Daar kon geen rod of correction tegenop.
Edward Seaga won de verkiezingen en zorgde ervoor dat Jamaica weer helemaal in de Amerikaanse pas ging lopen. Zijn eerste beleidsdaad was de uitzetting van de Cubaanse ambassadeur. De meeste rasta's keerden de politricks en het shitstem ontgoocheld de rug toe, en ook in de reggae waren de gouden jaren voorbij. De dood van Bob Marley in 1981 markeerde niet alleen het einde van een muzikaal tijdperk maar ook van de Jamaicaanse black power beweging die zich in de jaren '70 zo sterk gemanifesteerd had.
De meest tastbare nalatenschap van de de conscious rastaman (naast dreadlocks) was de ganja trade. Marihuana werd rond 1900 door Indische werkkrachten in Jamaica geïntroduceerd en was in de jaren '40 en '50 door de rasta's verheven tot het heilige kruid van hun religie. Voor de vaak zelfvoorzienende rastakampen die overal op het eiland werden ingericht was ganja een belangrijke bron van inkomsten, en de moedigste verkopers gingen op zoek naar klanten in de stad, in Kingston, waar de handel uiteindelijk in handen kwam van de bendes. De verstrenging van de Jamaicaanse drugwet in 1965 drukte de productie, de verdeling en het gebruik van marihuana nog meer in de illegaliteit. De eerste drugbaronnen maakten hun opwachting, al dan niet onder de vleugels van een politieke beschermheer, en zouden door de jaren heen alleen maar machtiger en gewelddadiger worden. Met in hun zog hele hordes false rastas, die vaak onder de dekmantel van sociale en religieuze organisaties tonnen ganja (en later ook andere drugs) naar het buitenland verscheepten. Dat de boeven in Amerikaanse politiefilms uit de jaren '80 en '90 zo vaak rastamannen waren, had alles te maken met de dominante aanwezigheid van de Jamaicanen in de drugscene van die tijd. Dat dubieuze imago zal er na de recente arrestatie van superster Buju Banton (volgens de Amerikaanse politie opgepakt met een grote hoeveelheid cocaïne) alleszins niet op verbeteren.
Februari 1992. Het Tivoli Gardens Community Center zit afgeladen vol. Meer dan 20.000 mensen willen Lester Lloyd Coke de laatste eer komen bewijzen. Aan de ene kant van de kist zit de familie. De andere kant is voorbehouden aan enkele prominente gasten. Edward Seaga, de voormalige premier van Jamaica, en nog altijd fractieleider van de JLP, was een levenslange vriend van Coke, en volksvertegenwoordiger van diens kiesdistrict in het westen van Kingston. Tom-Tavares Finson, de bekendste advocaat van het land en gehuwd met ex-Miss World Cindy Brakespeare, tevens de moeder van Bob Marleys jongste zoon Damian. En Bruce Golding, partijvoorzitter van de JLP, de gedoodverfde opvolger van Seaga als toekomstige conservatieve premier van Jamaica.
Zoals de meeste Jamaicanen in de muziek en misdaadwereld had ook Lester Coke een bijnaam. Die had hij zichzelf op jonge leeftijd al toegeëigend, nadat hij de film The Dirty Dozen had gezien. Jim Brown, een football-ster, was de enige zwarte in de cast, een crimineel die Nazi's uitroeide, Lesters grote held. Onder die naam maakte Coke ook furore in de gangsterwereld. In 1980 volgde hij Claudy Massop als de grote don van Tivoli Gardens, het JLP-bolwerk, en van de beruchte Shower Posse, zo genoemd omdat ze hun slachtoffers doorzeefden met kogels. Algauw breidde hij zijn werkterrein uit naar het buitenland, naar New York, Toronto en Londen, steden met grote Jamaicaanse gemeenschappen waar hij overal zijn mannetjes had zitten. Jim Brown diversifieerde ook zijn koopwaar. Verhandelden de Jamaicaanse bendes in de jaren '70 nog hoofdzakelijk zongerijpte ganja, op dat moment het belangrijkste exportproduct van het land, in het nieuwe decennium stortten ze zich vol overgave op cocaïne en crack, de nieuwe hype in Amerika. Het distributienetwerk bestond al, en met coke viel veel meer te verdienen. Hadden de Amerikanen trouwens niet alle ganjavelden vernietigd, in een grootscheepse operatie met helicopters en tonnen gif? In diezelfde periode was het belang van Kingston als doorvoerhaven voor Colombiaanse en Boliviaanse cocaïne niet toevallig sterk toegenomen, een handel die voor een groot deel gecontroleerd werd door de Shower Posse.
Wat de Jamaicanen ook uitvoerden, was hun extreem gewelddadige en schietgrage gedrag. Jim Brown zelf zou naar schatting een duizendtal mensen hebben vermoord of laten vermoorden, en profileerde zich als de ultieme yardie, zoals de internationale politiediensten de archetypische Jamaicaanse gangster in die tijd noemde. De yardies behoorden zonder meer tot de gevaarlijkste en meest meedogenloze gangsters van het decennium, scrupuleuze drugdealers en wapenhandelaars die hun hand niet omdraaiden voor een moord meer of minder. Maar ze vergaten ook hun achterban niet, de gemeenschap waar ze vandaan kwamen. Een groot deel van de criminele inkomsten vloeide rechtstreeks naar de getto's van Kingston, naar de betonnen jungle waar de vrienden en familieleden van de yardies in armoede leefden. Zonder die steun zouden veel mensen simpelweg verhongeren. Kinderen zouden niet naar school kunnen, jeugdorganisaties zouden geen bestaansmiddelen meer hebben. De gangsters probeerden nog altijd bij te springen waar de overheid het liet afweten. Als moderne Robin Hoods, inderdaad, en als vanouds in overleg met hun politieke leiders. Minder openlijk dan weleer maar de notoire gasten op de begrafenis van Jim Brown laten er geen twijfel over bestaan: politici en criminelen spelen in Jamaica nog altijd onder één hoedje.
Seaga hoeft die dag in '92 ook geen gezichtverlies te lijden. De VS hadden om de uitlevering gevraagd van Lester Coke maar de man was enkele dagen voor hij onder strenge bewaking op het vliegtuig zou stappen om het leven gekomen in een mysterieuze brand bij hem thuis. Door het volk op handen gedragen, gesteund en beschermd door de politici, telkens weer miraculeus ontsnapt aan zware veroordelingen, stierf hij in Jamaicaanse ogen een ware heldendood.
23 mei 2010. Premier Bruce Golding roept de noodtoestand uit in Kingston en de aangrenzende parish St. Andrews. Negen maanden heeft hij getalmd om in te gaan op het Amerikaanse uitleveringsverzoek voor Christopher 'Dudus' Coke, de zoon van Jim Brown en ook diens opvolger als leider van de Shower Posse, of wat daar nog van overbleef, en als officieuze burgemeester van de wijk Tivoli Gardens, van oudsher het belangrijkste bolwerk van de JLP. In die hoedanigheid heeft Coke Jr. ook Bruce Golding op de troon geholpen. Hij gaf de politicus zijn zegen om in 2005 op te komen voor het belangrijke kiesdistrict West-Kingston, en de belofte dat zijn mensen zeker voor hem zouden stemmen. En zo geschiedde. Golding werd eerst fractieleider en won in 2007 de verkiezingen. Tot grote vreugde van Dudus Coke, die zich nu werkelijk onaantastbaar voelde. Zelfs een uitleveringsbevel van de VS zou hem voortaan niet meer kunnen deren. Hij zou in de toekomst voluit de belangen kunnen dienen van zijn gemeenschap, van de mensen die de regering al die jaren zo schandelijk in de steek had gelaten. Daarom stonden die mensen vorige week ook mee op de barricades in Kingston, naast de gemaskerde en zwaar bewapende milities van de JLP. Zij hebben Dudus Coke nooit beschouwd als een drugbaron, eerder als een wilde weldoener en beschermer, zoals zijn vader voor hem, en daarvoor Claudius Massop, en daarvoor de rude boys. Jamaica? No problem. Zo lang je maar de juiste mensen kent.
Toch nog twijfels bij de ware toedracht van de zaak? Een zekere Ras Iston brengt de hele situatie op zijn webpage in verband met geplande olieboringen in de buurt van Jamaica, en zelfs met de aardbeving in het nabij gelegen Haïti. Het is een fascinerend verhaal (lezen tot op het einde!), op het eerste gezicht een vergzezochte conspiracy theory maar toch ook pure reality. En Istons droom van one love en unity onder de Jamaicanen, de enige manier om aan de Amerikaanse druk te weerstaan, herinnert ons aan de gloriedagen van de rasta's in de jaren '70. Jah live! An' 'Im bless Jamaica.

Luistert naar reggae sinds 1977, schrijft er professioneel over sinds de vroege jaren 80 (in De Morgen, De Standaard, P-Magazine, Highlife en vele andere bladen) en richtte deze site op in 2002. Auteur van 'De Rasta Revelatie' (2008) en 'In Het Spoor Van De Keizer' (2016).
May 28, 2010