
In een bloedhete, volgepakte Petrol Club toonde Sizzla waarom hij een van de belangrijkste reggaeartiesten van zijn tijd is.
Sizzla rijmt op Rizla, een Vlaams merk dat in Jamaica een zelfstandig naamwoord is geworden. Tegelijk verwijst de artiestennaam van Miguel Collins naar het alles verschroeiende ("to sizzle") vuur dat de boboshanti over Babylon willen uitstorten. De bobo's zijn de meest invloedrijke groepering binnen rastafari, en Bablyon staat voor het verderfelijke westerse systeem dat ons allemaal aan de ketting houdt.
Zo beeldrijk is de taal van de rastaman. Eén woord kan een hele wereld oproepen. En Sizzla Kalonji zingt, rapt, gromt, brult en singjayt veel woorden. Sinds zijn debuut tien jaar geleden heeft de man naar aloude Jamaicaanse gewoonte gemiddeld drie platen per jaar gemaakt en vele tientallen hits gescoord. Het gros van de songs is doordrongen van een diep religieus en historisch besef met bijhorende bijbelse metaforen en roepen op tot mentale bevrijding en weerbaarheid, liefst met een goeie zak wiet bij de hand. Op een reggaeconcert kan je het verstand maar zelden echt op nul zetten. Zeker niet als je het Jamaicaanse accent onder de knie hebt en begrijpt waar Sizzla het over heeft, tot enkele jaren geleden nog voorbehouden aan een kleine groep fans. Vandaag staat de hele zaal mee te zingen. 'Got To Be Poor', 'Praise Ye Jah', 'Jah Cry', de meest authentieke teksten eerst. De rastacultuur lijkt de westerlingen meer dan ooit te intrigeren en te inspireren. En ook de vele Afrikanen en Marokkanen in het publiek natuurlijk, nergens in het uitgangsleven zo talrijk aanwezig als op een reggaeavond in Petrol Club.
Reggae is wel degelijk het fundament van Sizzla's muziek, hoe krachtig en overdonderend zijn groep, Firehouse Crew, de songs live ook weet op te pompen tot onversneden dancehall, de punkversie van Sean Paul. Zowat alle nummers waren opgebouwd rond riddims uit de jaren '60 en '70, Bob Marley (Natural mystic), Burning Spear (Rockin Time), Studio One (Queen Of The Minstrel, Sata, Never Gonna Give Jah Up, Take A Ride), Java, Stalag..., zij het dat Sizzla die klassiekers wel frontaal te lijf ging. Niet alleen door ze razendsnel af te wisselen of telkens opnieuw te laten beginnen (rewind!), maar ook door tegen het ritme in te zingen, of ergens ver erboven, of net niet vals. Net wel, zeggen sommigen, maar die schijnbare uitschuivers en dissonanten zijn er altijd geweest bij Sizzla, misschien wel als expressie van de blues en de wanhoop die hij ervaart in het leven. De zanger is opgegroeid in August Town, een verarmde, bij momenten gewelddadige wijk van Kingston. Hij zou nooit zo geliefd geworden zijn als hij niet het lijden en de hoop van de plaatselijke bevolking zou uitdrukken. Dat is wat hem bindt met de grote reggaesterren uit het verleden.
Maar Sizzla teert niet alleen op wat geweest is, alleszins niet muzikaal. Tussen de standaardriddims door ging hij ook heftig te keer op zuivere, stampende ragga beats (wie ze bij naam kent, mag ze roepen) en Wu Tang-achtige hip-hop en r&b, met dramatische, gesynthetiseerde strijkerpatronen en plots toch een banale tekst over de lekkerste punnany (gebruik uw fantasie). Om dan weer terug te vallen op het trage ritme van de nyahbinghi, een tegendraadse ballade zoals die in Jamaica tegenwoordig zoveel succes kennen. 'Thank You Mama': geen popzanger die ermee weg zou komen maar in de reggae werkt het. Zelfs als het een beetje vals klinkt.

Luistert naar reggae sinds 1977, schrijft er professioneel over sinds de vroege jaren 80 (in De Morgen, De Standaard, P-Magazine, Highlife en vele andere bladen) en richtte deze site op in 2002. Auteur van 'De Rasta Revelatie' (2008) en 'In Het Spoor Van De Keizer' (2016).
Jun 15, 2007