
Van alle erven Marley klinkt Stephen het meest als Bob. Waarom liet net zijn solodebuut dan zo lang op zich wachten?
Ze hadden nog geen dreadlocks en droegen een overmaats kostuum. Ziggy en Stephen Marley vielen zo zelfs een beetje uit de toon op de begrafenisdienst van hun vader in de National Heroes Arena van Kingston, op 21 mei 1981. Bob had zich in zijn laatste levensdagen bekeerd tot de Ethiopische Orthodoxe Kerk en de hal was rijkelijk versierd met groengeelrode vlaggen en andere kenmerkende religieuze symbolen, zoals ook de rasta's ze cultiveren. De priesters droegen plechtige witte gewaden en droegen kunstig gemaakte Ethiopische kruisbeelden met zich mee.
En toch waren het de Melody Makers, zoals de twee broers hun groep genoemd hadden, die de menigte in vervoering brachten, meer nog dan The Wailers of Bob's moeder Cedella Booker die eerder optraden. De jongens, toen amper 13 en 9 jaar oud, dansten en bewogen als Bob. De stem van Ziggy, net de baard in de keel gekregen, leek griezelig veel op die van Bob. Stephen had van zijn vader duidelijk de ernst en ingetogenheid meegekregen.
The Melody Makers zouden het werk van Bob Marley in de jaren 80 en 90 onverstoorbaar voortzetten. Door moeder Rita aanvankelijk nog sterk gemodelleerd naar Bob - Ziggy moest zelfs consequent een jeanshemd dragen - gingen ze muzikaal algauw een eigen koers varen, hoewel die tegelijk wonderwel aansloot bij de evolutie van hun vader. Af en toe scoorden ze een hitje ('Tomorrow People', 'Conscious Party') maar net als hun vader concentreerden ze zich vooral op de productie van sterke albums en wisten ze hun variant van de reggae voortdurend te verbeteren en te verrijken. Ook The Melody Makers ontwikkelden zich los van de Jamaicaanse muziekscène, ze groeiden trouwens grotendeels op in de VS, zonder ooit de ziel van het land te verloochenen. Wij maken ons zelfs sterk dat Ziggy en Stephen Marley in al die jaren minstens evenveel klassieke reggaesongs hebben geschreven en opgenomen als Bob maar dat zullen we uiteraard nooit kunnen bewijzen. Laten we het erop houden dat vader Marley zich nooit heeft hoeven om te draaien in zijn graf. Hij mag trots zijn op zijn kroost.
Die ook nog eens slaagt waar hij gefaald heeft: in de Verenigde Staten. In het zog van de dancehallexplosie (Shaggy, Sean Paul) verraste Damian Marley in 2005 vriend en vijand met een indrukwekkende rootsragga crossoverplaat, vorig jaar goed voor de Reggae Grammy. Dit jaar was het Ziggy die de begeerde award in ontvangst mocht nemen, voor zijn even verrassende soloplaat 'Love is my religion'. Het zou ons niets verbazen als de winnaar in 2008 Stephen Marley heet, want ook hij heeft nu een zeer sterk album uitgebracht.
Eindelijk, moeten we eigenlijk zeggen, want de liefhebbers zijn het er al lang over eens dat Stephen wellicht de meest begaafde artiest van alle Marley's is. Niet als toaster, een rol die hij bij de Melody Makers vervulde, wel als zanger en producer. Hij heeft intussen samengewerkt met het kruim van de Amerikaanse hiphopwereld, produceerde en arrangeerde de succesplaat van Damian en is het muzikale brein van Ghetto Youths en Tuff Gong, de Jamaicaanse platenlabels van de broers. Al dat talent en die ervaring worden nu samengebracht in een meesterlijke rootsplaat met coole Amerikaanse stadsaccenten.
Stephen neemt naar aloude Marley-gewoonte geen blad voor de mond en vaart in zijn teksten scherp uit naar hypocrisie, corruptie, onrechtvaardigheid en onderdrukking. Reggae is altijd al een beetje politricks geweest, zoals Peter Tosh het uitdrukte. Af en toe laat hij het woord aan een gast, zijn broers Julian en Damian Marley, rapper Mos Def, Ben Harper (op slidegitaar in de beklijvende ganja-hymne 'Inna Di Red'), en die zijn het uiteraard volmondig met Stephen eens. Maar het mooist zingt hij toch in de love songs (zelfs als hij zijn stem door de vocoder haalt), bevrijd van wereldse beslommeringen, smachtend naar een geliefde die hem verlaten heeft, de blues in het hoofd. Zo klinken trouwens ook de slepende gitaarpartijen in die liedjes, waaronder een cover van 'Lonely Avenue' (Ray Charles), bluesy en weemoedig.
Muzikaal evolueert de plaat van ingehouden hiphop en r&b over de human beat box dancehall van 'Traffic Jam' (op de Answer riddim!) en de verheven reggaeton van 'Let Her Dance' naar het archetypische Bob Marley-patroon van 'Chase Dem' (een verre neef van diens 'Crazy Baldheads') en het etnische nyahbingi-ritme van het slotnummer. Zo breed is Bob nooit gegaan, al was het maar omdat al die nieuwe genres toen nog niet bestonden, maar hij zou het vast gewild hebben. 'Mind Control' is vintage Marley voor de 21ste eeuw.

Luistert naar reggae sinds 1977, schrijft er professioneel over sinds de vroege jaren 80 (in De Morgen, De Standaard, P-Magazine, Highlife en vele andere bladen) en richtte deze site op in 2002. Auteur van 'De Rasta Revelatie' (2008) en 'In Het Spoor Van De Keizer' (2016).
Jun 08, 2007