Reggae.be
Rock stars in Jamaica: Impressions from way back
Roots & CultureJan 16, 2006

Rock stars in Jamaica: Impressions from way back

By Jah Shakespear

De nieuwe plaat van Sinéad O'Connor is opgenomen in Jamaica. De Ierse zangeres treedt daarmee in de voetsporen van Keith Richards, Bob Dylan, Cocojr. en andere westerse rocksterren met een boontje voor reggae. En voor de lokale ganja natuurlijk.

Ere wie ere toekomt: Eric Clapton was de eerste rockster die zelf een reggaenummer opnam, een cover van Bob Marley's 'I Shot The Sheriff'. Jah (zoals God in Jamaica gemeenzaam genoemd wordt) gaf daarmee de aanzet tot een hype die in 1975 zou bekroond worden met de release van 'Live', voor Bob Marley & The Wailers (en voor de reggae in het algemeen) de plaat van de definitieve doorbraak. De groep toerde dat jaar ook voor het eerst door de Verenigde Staten, als support act van de Rolling Stones. Vooral Keith Richards toonde zich een onvoorwaardelijke fan van Bob Marley en droeg iedere avond een T-shirt met diens beeltenis.

Keith Richards is een Jamaicaan

"Eigenlijk ben ik een Jamaicaan," zei Keith Richards in 1983, en hij deed dat met recht en reden. Toen hij in 1972 'The Harder They Come' had gezien, de eerste Jamaicaanse langspeelfilm, voelde hij zich meteen aangetrokken tot die kleurrijke cultuur van muziek, religie, ganja en outlaws. Hij overtuigde de andere Rolling Stones om de opvolger van 'Exile On Main Street' op te nemen in Kingston en kocht zelf een villa met prachtig uitzicht in Ocho Rios, Point View. In november '72 trokken de Stones zich terug in de studio van Byron Lee (ook de thuishaven van Jimmy Cliff, hoofdrolspeler in 'The Harder They Come') om er 'Goats Head Soup' te maken. Waar ook de enige grote reggaehit van de Rolling Stones op stond, 'Cherry Oh Baby', een cover van een nummer waarmee Eric Donaldson het plaatselijke songfestival had gewonnen.

Point View werd al gauw de vaste hang out van de rasta's in de buurt en Keith Richards maakte er kennis met topmuzikanten als drummer Sly Dunbar en bassist Robbie Shakespeare, de ritmesectie die te horen is op zowat alle reggaeplaten uit de tweede helft van de jaren '70. Richards speelde gitaar op 'Shine Eye Gal', een door Sly & Robbie ingespeelde klassieker van Black Uhuru, en bood Peter Tosh (ex-Wailers) in 1978 een platencontract aan bij Rolling Stones Records. Keith Richards en Ronnie Wood verleenden hun medewerking aan het album 'Bush Doctor', en '(You Gotta Walk And) Don't Look Back', een duet van Tosh met Mick Jagger (een cover van The Temptations), werd een wereldhit.

Richards leerde ook de keerzijde van de Jamaicaanse medaille kennen. Hij gaf Peter Tosh de toestemming om in Point View te verblijven maar die toonde geen enkel respect voor de dure spullen van zijn gastheer en liet er naast dealers en hustlers ook kippen en geiten vrij rondlopen. Pas toen Keith Richards op een dag telefonisch met geweld dreigde, hij was speciaal komen overvliegen uit de Verenigde Staten om orde op zaken te stellen, verdwenen Tosh en zijn entourage spoorslags uit de villa.

In 1981 namen Richards en Sly & Robbie een plaat op met zanger Max Romeo, 'Hold On To Your Love', die moest verschijnen op Rolling Stones Records. Zoals dat wel vaker gaat in Jamaica kwam de plaat uit op een ander label, zonder medeweten van Keith Richards uiteraard. Het zou vijftien jaar duren voor de gedesillusioneerde Rolling Stone zich nog eens zou inlaten met Jamaicaanse artiesten.

Pas in 1995 lukt het Richards om de ziel van rastafari te vatten in een plaat. Hij nodigt de rasta's uit waar hij al twintig jaar mee gaat jammen, drummen en chanten, en maakt een heuse nyahbinghi-plaat, etnische, repetitieve muziek naar aloud Afrikaans recept. Zij noemen hem 'Dreader Than Dread' ("afschrikwekkender dan afschrikwekkend"), hij doopt hen tot Wingless Angels.

De ceremoniële grounation duurt zes dagen en ettelijke kilo's ganja. Chris Blackwell biedt Keith Richards een contract aan en de Jamaican Tourist Board stelt een mobiele studio ter beschikking. Na achttien maanden mixen en overdubben wordt het album via Island uitgebracht op Richards' eigen label Mindless Records. Geen hitplaat, maar wel de perfecte soundtrack bij een vette spliff.

Paul McCartney deed het voor Linda

In 1977 moet het solodebuut verschijnen van Linda McCartney. Paul McCartney is al langer gefascineerd door reggae ('Ob-la-di Ob-la-da' was ska à la Beatles) en in het bijzonder door de bijzondere productietechnieken van Lee Scratch Perry, die hij in Londen ook al enkele keren ontmoet heeft. Het koppel besluit om enkele demo's naar Jamaica te sturen waar Lee Perry de tracks moet opnemen met plaatselijke muzikanten en in zijn eigen onnavolgbare stijl. De McCartneys zijn dus zelf nooit in de legendarische Black Ark-studio geweest en de nummers (ingezongen in Schotland) zouden pas in 1998 opduiken op de postuum verschenen CD 'Wide Prairie' van Linda.

The Clash: "Jamaica wordt het Marokko van de punkers."

November 1977. Mick Jones en Joe Strummer, de twee zangers-gitaristen van The Clash, vliegen naar Kingston om inspiratie op te doen voor hun tweede plaat. De groep heeft eerder al 'Police And Thieves' gecoverd, een reggaeklassieker van Junior Murvin en Lee Perry. Perry heeft ook 'Complete Control' geproduceerd, de derde single van The Clash, opgenomen in Londen. Maar voor ze op zoek gaan naar Scratch, telefonisch kan je in Jamaica amper iemand bereiken, zakken Jones en Strummer af naar de havenbuurt van Kingston om ganja te scoren. Daar worden ze aangezien voor zeelui en zorgt hun militaristische punkoutfit voor de nodige hilariteit, al was het maar omdat ook de rasta's zich dat imago graag mogen aanmeten. Lee Perry krijgen ze niet te pakken, je vindt in Jamaica nooit wie je zoekt, maar de positive vibrations op het eiland bieden beide heren wel genoeg inspiratie voor een handvol uitstekende songs op 'Give 'Em Enough Rope'. The Clash en Lee Perry hebben ooit één keer samen op het podium gestaan, in 1981 in New York, om 'Police And Thieves' te zingen. Het was de bezegeling van een jarenlange, organische lotsverbondenheid tussen punk en reggae, de enige muziek die de punkers destijds konden verdragen. Niet alleen omdat ze zich konden identificeren met de militante songs van de rasta's maar ook omdat die betere jointen konden rollen. "Ik hoop dat Jamaica niet het Marokko van de punkers wordt," zei Mick Jones toen hij terugkeerde, een verwijzing naar het land waar de hippies in de jaren '70 verlichting hoopten te vinden. En de beste hasj natuurlijk.

Johnny Rotten

Drie maanden later arriveert de king of punk in Jamaica. John Lydon is er door platenbaas Richard Branson van Virgin Records op uit gestuurd om nieuwe reggae acts te tekenen, tevens een prima excuus om even te ontsnappen aan de mediadrukte rond de Sex Pistols. John verblijft in het luxueuze Sheraton-hotel en geniet bij de rasta's behoorlijk wat respect omdat hij net als zij de Britse koninklijke familie in vraag durft stellen. Zij het dat geen enkele Jamaicaan 'God Save The Queen' toen ook al daadwerkelijk gehoord had.

Tal van reggaezangers en dj's passeren de revue aan het zwembad van het Sheraton en Lydon beveelt bij Branson onder anderen Culture, I-Roy en Tappa Zukie aan, artiesten die via Virgin een serieuze fan base weten te creëren in Europa. Johnny Rotten brengt ook een bezoek aan de Black Ark-studio van Lee Perry en neemt er reggaeversies op van 'Anarchy In The UK' en 'Holidays In The Sun'. De tracks zijn nooit uitgebracht.

Het meest zichtbare souvenir van de trip is de groengeelrode rieten "stoofpijp" die Lydon in Kingston gekocht heeft, een voorloper van de kleurrijke hoeden die in de jaren '80 en '90 de festivalweien zouden veroveren. De Jamaicaanse belevenissen van John Lydon staan kleurrijk beschreven in zijn autobiografie.

Joni Mitchell

Mitchell was in 1978 in Kingston om haar nieuwe plaat af te werken. Ook zij logeerde in het Sheraton en kwam er in contact met Johnny Rotten, artistiek haar absolute tegenpool. Toch nodigde de Canadese zangeres hem uit op haar kamer voor een nadere kennismaking, samen met de Engelse punkreggaeproducer Don Letts. De rum vloeide zoet binnen, de ganjavoorraad was onuitputtelijk maar op een bepaald moment kreeg Rotten het toch flink op de heupen. Het was een plaat die Mitchell had opgezet. "Was is dàt voor rommel? Zet dat onmiddellijk af." Waarop Joni Mitchell pruilde: "Dat is mijn nieuwe plaat." Letts en Rotten zijn het wijselijk afgetrapt.

Boney M

Boney M is nooit in Jamaica geweest maar coverde in 1978 wel 'Rivers Of Babylon', een reggaeklassieker van The Melodians. Alleen de Duitse producer Frank Farian is er beter van geworden.

10CC

10CC maakte de eerste clip in Jamaica, voor 'Dreadlock Holiday' (1979), en bepaalde zo mee de beeldvorming van het eiland.

Robert Palmer


Palmer wilde zijn muziek al langer een exotische twist geven en ook hij was behoorlijk onder de indruk van de muzikale magie die Lee Perry wist op te roepen. Chris Blackwell (baas van Island, het label van Bob Marley) bracht hem in contact met Scratch en Palmer kon gaan opnemen in de Black Ark-studio, "...blijkbaar het spirituele en politieke centrum van Jamaica," zoals de Britse zanger zich later zou herinneren: "It was heavy." Er hing nogal wat volk rond in de studio, rasta's, hustlers, brutale straatjongens, en Robert Palmer voelde zich niet op zijn gemak. Hoewel hij Lee Perry altijd zijn "all time favoriete producer" is blijven noemen, zijn de drie tracks die hij in Kingston heeft opgenomen nooit op plaat verschenen, tenzij dan 'Love Can Run Faster', op de achterkant van de hitsingle 'Bad Case Of Loving You'. Lee Perry maakte op eigen initiatief nog wel een reggaemix van die andere wereldhit uit Palmers 'Double Fun' album, 'Best Of Both Worlds', maar ook die is niet uitgebracht. Een ideetje voor een herdenkingsalbum misschien?

Serge Gainsbourg

Ook Serge Gainsbourg wisselde zijn eeuwige Gitanes graag af met een lekkere spliff èn hij was gek op reggae. De Franse "zanger" (slow motion rapper avant-la-lettre?) scoorde in 1976 al met 'Marilou Reggae' en maakte in '79 een schitterende plaat met Sly & Robbie. "Aux Armes Et Caetera" is ondanks de Franse inslag een klassieker in het genre.

Het was producer Philippe Lerichomme die Gainsbourg op het idee bracht om de plaat op te nemen in Kingston, mèt de beste muzikanten van Jamaica, van wie hij de namen zelf had overgeschreven van zijn importplaten. Met de hulp van Chris Blackwell slaagde hij erin om de groep samen te krijgen die in de jaren '80 naast Peter Tosh en Black Uhuru ook tal van rocksterren zou begeleiden.

In 2004 verscheen een geremasterde, opnieuw gemixte uitvoering van 'Aux Armes Et Caetera', met begeleidende dubs en raps/toasts van jonge Jamaicanen.

Joe Cocker

Cocker liet Sly & Robbie in 1982 samen met Jimmy Cliff naar de fameuze Compass Point Studio op de Bahama's komen om er het album 'Sheffield Steel' te maken. Sly & Robbie hebben in die periode ook gewerkt met Grace Jones (drie albums), Robert Palmer, Bob Dylan ('Empire Burlesque', 1985), Joan Armatrading, Ian Dury, Herbie Hancock, James Brown en Manu Dibango. Eind jaren '80 initieerde het duo de kruisbestuiving tussen hiphop en reggae (dancehall/ragga), samen met KRS-One, Queen Latifah en andere rappioniers. In de jaren '90 duiken Sly & Robbie op in triphop, drum & bass en andere dubby muziek, dan in samenwerking met onder anderen Jah Wobble, Bill Laswell en Howie B.

Boy George

George heeft zich als batty boy allicht niet kunnen outen in Kingston (hij zou gevierendeeld zijn) maar zag in 1997 wel kans om een single op te nemen voor producer Derrick Harriott, een etherische versie van 'Police And Thieves' (zie ook The Clash). Enkel uitgekomen in Jamaica, in een zeer beperkte oplage.

UB40

UB40 bracht reggae in de jaren '80 naar de mainstream en kocht met de opbrengst van al die hits een gigantisch domein in de buurt van Oracabessa, aan de noordkust van Jamaica. De familie van de muzikanten brengt er de vakanties door maar het domein is ook een ontmoetingsplaats voor Jamaicaanse artiesten. Terwijl de groep in de jaren '80 en '90 in Europa scoorde met soms wat belegen covers van oude reggaesongs, namen ze in Kingston nieuwe dancehall op (voor het album 'Baggariddim') of lieten ze hun eigen nummers inzingen door oude gloriën ('Fathers Of Reggae'). In tegenstelling tot wat wel eens beweerd wordt, zijn er weinig westerse muzikanten die zo veel betekend hebben voor de reggae als UB40.

Cocojr. geen woeste kop met dreadlocks

Cocojr., meneer Geena Lisa, is nooit zo succesrijk geworden als Kid Coco, zanger van de Dinky Toys, maar mocht in 1997 van zijn platenfirma wel een plaat maken met Sly & Robbie. De basistracks werden opgenomen in België, de afwerking gebeurde in Music Lab, de huisstudio van Sly & Robbie. Cocojr. beleefde een heerlijke tijd in Kingston. Hij zocht en vond er contact met de wijze oude rasta's van Mystic Revelation of Rastafari maar ook met de nieuwe generatie dj's en zangers die dagelijks hun opwachting maakten bij Music Lab. Coco's handelsmerk, kale schedel met zonnebril, is de antipode van de woeste kop met dreadlocks maar wel even origineel en eigenzinnig, en dat is wat telt in Jamaica.

'Acting Like Glass' was een prima plaat maar de vernieuwende, funky reggaesound sloeg niet aan en Cocojr. trok zich terug in zijn zelfgebouwde studio. In Wommelgem, niet in Kingston.

Rock stars in Jamaica: Impressions from way back

About the Author

Jah Shakespear
Meer

Luistert naar reggae sinds 1977, schrijft er professioneel over sinds de vroege jaren 80 (in De Morgen, De Standaard, P-Magazine, Highlife en vele andere bladen) en richtte deze site op in 2002. Auteur van 'De Rasta Revelatie' (2008) en 'In Het Spoor Van De Keizer' (2016).

Genres

Reggae

Published

Jan 16, 2006