Reggae.be
Sly & Robbie & Sinéad
Event ReportNov 18, 2005

Sly & Robbie & Sinéad

By Jah Shakespear

Sinéad O'Connor heeft in Brussel geen enkel nummer gezongen dat nog maar in de buurt kwam van haar vroegere werk. Haar muzikanten speelden muziek die ze al met tal van anderen hebben uitgevoerd. En toch was dit Sinéad op haar best, puur natuur en spiritueel bevlogen.

Sly & Robbie voor een zittend, niet-blowend publiek: het was op zich al een unieke ervaring. De reggaefans hadden blijkbaar geen zin om te komen (of geen geld: kaartjes voor  reggaeconcerten zijn gemiddeld de helft goedkoper) en de plaatsen waren genummerd. Heel gewoon voor een doorsnee popconcert misschien maar nog voor Sinéad O'Connor het podium betrad, hadden wij de comfortabele zetels al ingeruild voor een staanplaats hoog in de tribune. Liever een wat slechter zicht en genoeg bewegingsruimte dan ongemakkelijk zitten wiebelen op een stoel. De rest van het publiek dacht daar zichtbaar anders over en bleef braaf zitten. Twee keer veerden een paar tientallen mensen recht, maar dan alleen op aandringen van gitarist Gitsy of trombonist Nambo, om op het einde van het nummer meteen weer te gaan zitten. Geef ditzelfde concert voor een reggaepubliek en de zaal staat op z'n kop. Zelfs toen de groep helemaal loos ging in tranceachtige dubs, voortgestuwd door de machtige drums van Sly, ondersteund door de loodzware bassen van Robbie, keken de meeste mensen eerder gefascineerd toe dan dat ze zich overgaven aan de danskriebels.

Sly & Robbie hadden er al drie kwartier klassieke dubs opzitten, inventieve uitvoeringen van klassieke reggaeriddims opgesmukt met spectaculaire geluidseffecten en instrumentale solo's, toen Sinéad O'Connor zelf opkwam, geheel naar aloude Jamaicaanse gewoonte. Ze opende a cappella met 'Jah Nuh Dead', een eerbetoon aan Ras Tafari (Haile Selassie), en één van de vijf parels van Burning Spear die O'Connor covert op haar nieuwe album. Ze klonken allemaal even mooi en  werden door de band telkens weer vakkundig tot hallucinante dub gekneed, maar 'He prayed' was het hoogtepunt. Strakke, eenvoudige riddim waar weliswaar al honderden versies van bestaan maar zo diep, zo essentieel, en daar dan Sinéad overheen, schijnbaar bevrijd van woede en angsten, met een onversneden religieuze tekst. Het woord dat we tijdens het concert het vaakst gehoord hebben was Jah (rastataal voor God), niet alleen in de liedjes zelf maar ook als de zangeres tussendoor even wilde uithalen, zoals ook haar grote Jamaicaanse voorbeelden dat doen.

'Curly locks' toonde een heel ander gezicht van de reggae, speels sensueel, heel subtiel van ritmiek, niet toevallig een song van Lee Perry. Net als 'Vampire', het snelste en meest krachtige nummer van de set, opnieuw uitmondend in een vuurwerk van dub. In de liedjes van de legendarische zangtrio's The Abyssinians en Israel Vibration was een hoofdrol weggelegd voor de twee achtergrondzangeressen, die de mystiek van de muziek nog meer diepgang gaven. 'Untold stories' van Buju Banton, de meest recente reggaeklassieker op de plaat, bracht Sinéad in een beklemmende akoestische uitvoering, alsof ze de ellende en de wanhoop uit de tekst zelf doorstaan had. Ook unplugged waren de nummers van Ras Michael, de meest orthodoxe van alle rootsreggaezangers, té roots wellicht om de songs op de plaat te zetten, maar live oogstte Sinéad O'Connor net daarmee het grootste applaus. Misschien omdat die etnische nyahbinghimuziek, gestoeld op eeuwenoude Afrikaanse ritmes, in deze vorm erg dicht aanleunt bij Ierse en Amerikaanse folkblues, en die klinkt nog altijd vertrouwder en herkenbaarder dan de meeste reggae. De enige échte meezinger was 'Rivers of Babylon', door sommigen nog altijd gelinkt aan Boney M maar in feite een oerreligieus lied, tekstueel gewoon een fragment uit de bijbel. Ook 'War' van Bob Marley (tekst: Haile Selassie) werd her en der in de zaal herkend maar geenszins luidkeels meegezongen.

De sterkste momenten van het concert (los van de magistrale dubs) waren de twee songs van Peter Tosh, door Sinéad O'Connor hoger ingeschat dan eender welke andere reggaezanger. 'Downpressor man' droeg ze sarcastisch op aan alle meisjes in het publiek, en de snijdende tekst van 'Stepping razor' is haar op het lijf geschreven. 'Don't you watch my size, I'm dangereous'.

Er zullen allicht mensen zijn die dit concert helemaal niet gevaarlijk en opwindend vonden. Zij riepen woensdagavond om 'Troy' en 'Nothing compares to you'. Maar het overgrote deel van het publiek was na afloop toch behoorlijk onder de indruk, niet alleen van Sinéad O'Connor, ook al had ze dan wat stemproblemen, maar zeker ook van Sly & Robbie en van het nieuwe muzikale universum dat de 'riddim twins' voor hen ontsloten had. Er is maar één festival waar deze Sinéad O'Connor volgende zomer thuishoort: Reggae Geel.

 

 

Sly & Robbie & Sinéad

About the Author

Jah Shakespear
Meer

Luistert naar reggae sinds 1977, schrijft er professioneel over sinds de vroege jaren 80 (in De Morgen, De Standaard, P-Magazine, Highlife en vele andere bladen) en richtte deze site op in 2002. Auteur van 'De Rasta Revelatie' (2008) en 'In Het Spoor Van De Keizer' (2016).

Genres

RootsReggae

Published

Nov 18, 2005