
Jazz en calypso: dat wilden de blanke toeristen horen toen ze in de jaren '40 en '50 naar Jamaica kwamen, island in the sun. De eerste Caribische superster was Harry Belafonte, precies omdat hij zo'n zonnige, onbezorgde muziekjes maakte. 'Jamaica Farewell', 'The Banana Boat Song', het waren softe commerciële doorslagjes van de liedjes die in de luxueuze hotels weerklonken. Waar vrolijke trio's met bloemenhemden de mensen moesten vermaken. Ze noemden zich zelfs naar het hotel waar ze werkten: The Hyltonaires.
Maar die naam zouden we pas jaren later leren kennen, toen The Hyltonaires onderdak vonden bij Studio One, het moederhuis van de reggae. Begin jaren '50 was er in Jamaica nog geen sprake van een platenindustrie. Sam Manning, een big banddirigent uit Trinidad, had in de jaren '20 een aantal traditionele Jamaicaanse liedjes opgenomen in New York (die in Kingston werden verkocht in Campbell's Record Shop 'The House of the Latest Hits') maar het was de muziek uit Trinidad zelf die de wereld veroverde, calypso. The Andrew Sisters coverden Rum & Coca-Cola van Lord Invader, Harry Belafonte verkocht miljoenen exemplaren van zijn LP 'Calpyso', en ook in Jamaica groeide de vraag. Onder impuls van de calypso richtte Stanley Motta zelfs de allereerste Jamaicaanse platenfirma op en bleek ook mento-zanger Norman 'Lord' Flea plots een ander genre te verkiezen. Hij tekende een contract bij het Amerikaanse Capitol, toerde door de Verenigde Staten en deed mee aan twee calypsofilms, Bob girl goes calypso en Calypso Joe. Wij hebben de films nooit gezien maar het zijn alleszins de eerste Hollywood-prenten in een Jamaicaans decor.
Maar Flea was dus een mento-zanger. "Als de toeristen calypso willen, noemen ze het maar calypso," heeft hij ooit gezegd. In het begin van de twintigste eeuw waren er in Jamaica al tal van folksongs ontstaan, bewerkingen van Europese polka's, walsen en quadrilles en van Afrikaanse kumina en (religieuze) revival. 'Linstead Market' is zo'n liedje, zoals ze tot diep in de twintigste eeuw en sommige zelfs tot vandaag bewerkt en opnieuw uitgevonden worden. De songs werden vaak gezongen (in 6/8) als vijfde figuur van een quadrille, en precies dat onderdeel is later geëvolueerd naar mento. Dat soort subtiele varianten en afwijkingen typeren niet toevallig de ontwikkeling van alle Jamaicaanse genres. Mento wordt gespeeld op traditionele akoestische instrumenten: banjo, rumbadoos, bamboefluit en maracas ("sambaballen"), occasioneel aangevuld met een bamboesaxofoon en een viool. In de stad kwamen daar soms nog een piano, klarinet en gewone saxofoons bij.
Stanley Beresford Brandon Motta, een Sefardische jood (een verre nakomeling van de Spaanse overheersers), was gek op mento en bouwde in de buurt van zijn elektronicawinkel aan Harbour Street een kleine studio, de eerste opnamestudio van Jamaica. Tussen 1951 en 1956 werden in dat studiootje een zestigtal 78- en 45-toerenplaten opgenomen, aanvankelijk rechtstreeks op acetaat om in Engeland geperst te worden, later met een mono bandrecorder. Label: MRS, in Engeland uitgebracht en verdeeld door Melodisc. Stanley Motta had de Jamaicaanse muziekindustrie definitief op gang getrokken.

Lag samen met Jah Shakespear aan de basis van Reggae.be; eerst als recensent en interviewer, en vanaf eind 2014 ook als hoofdredacteur. Verdeelt zijn tijd tussen zijn twee passies: muziek en Haile Selassie.
Nov 14, 2004