
De geschiedenis van de reggae, en dus ook van de ska, de rocksteady, de rockers, de dub, de rub-a-dub, de dancehall en (met een beetje fantasie) ook van jungle, triphop, ambient, drum & bass en zelfs (volgens de echte die hards) van rap, hip-hop en house, begint op Congo Square in New Orleans, Louisiana.
Op Congo Square kwamen begin 20ste eeuw iedere zondag nog de nazaten van de slaven samen, zoals hun voorouders dat honderden jaren lang gedaan hadden, om hun goden te aanbidden en muziek te spelen. Oeroude Afrikaanse percussiemuziek, puur ritme en passie. Tot ook andere muzikanten zich tussen de trommelaars mengden. Zij bespeelden nieuwe instrumenten als trompetten en klarinetten, eigenlijk bestemd voor klassieke muziek maar op Congo Square stilaan omgetoverd tot wat later typische jazzinstrumenten zouden worden.
Vandaag grenst Congo Square, de waarachtige geboorteplaats van de jazz, aan Louis Armstrong Park, opgedragen aan de grote jazztrompettist die hier geboren werd. En die de geschiedenis van de muziek een beslissende wending heeft gegeven. In het French Quarter van New Orleans, vooral in de befaamde Bourbon Street dan, wordt die prachtige geschiedenis iedere avond opnieuw in herinnering geroepen. In een aftandse bar speelt een stokoude pianist de blues. Op een binnenplein vergast een tienkoppig ensemble honderden mensen op een stomende set B.B.King-achtige rhythm and blues. Een country- en cajunband houdt de blanke eer hoog. Uit andere clubs en cafés klinkt jazz, soul, funk of zware stadsblues. In de Jelly Roll's (een eerbetoon aan bluesheld Jelly Roll Morton) speelt trompettist Al Hirt een sessie. In de Second Life zingt Luther Kent, ooit nog lid van Blood, Sweat & Tears. De concurrentie is groot. In iedere bar is het feest. En als de muziek je niet meer aanstaat, ga je gewoon de volgende deur binnen. Overal zitten mensen driftig mee te stampen, te klappen, te schreeuwen, te zingen, of op z'n minst te knikken.
Alleen in de Preservation Hall of Jazz is het bij momenten doodstil. Hier, in een huis dat veel weg heeft van een kraakpand, doen een vijftal oudere muzikanten avond na avond de antieke dixieland herleven, de vroegste vorm van jazz, zonder versterking of elektronica. Het is bloedheet in de veel te kleine ruimte met de lage zoldering, maar elke vertoning, drie per avond, is uitverkocht. Veel mensen blijven na de voorstelling koppig zitten, ontroerd en gefascineerd als ze zijn door de eerlijke kwaliteiten van de muzikanten, het intrigerende getokkel op de banjo, de onwerkelijk hoge blazerstonen, het grijze vrouwtje aan de piano. Na iedere solo bedankt het publiek met een joelend applaus. Wat dit nu allemaal met de reggae te maken heeft (buiten het feit dat Louis Armstrong wellicht de meest notoire gewoonteblower was van alle jazzmuzikanten)? Eind jaren '50 deed zich ook in Jamaica een organische versmelting voor van etnische Afrikaanse ritmes met andere muziekgenres, jazz en rhythm and blues uit (inderdaad) New Orleans, Engelse folk en de autochtone mento, een primitieve vorm van calypso. Jonge, virtuoze horns men (trompet, saxofoon, trombone) uit de Alpha Boys School in Kingston zochten percussionisten uit de rastagemeenschap op. Op de achtergrond, uit de transistor, weerklonk de muziek uit het zuiden van de Verenigde Staten. Samen creëerden ze een heel nieuwe muziekstijl en inspireerden ze vele generaties muzikanten, in en buiten Jamaica, tot vandaag. Precies zoals Louis Armstrong en zijn kompanen hen dat ooit hadden voorgedaan in New Orleans.

Luistert naar reggae sinds 1977, schrijft er professioneel over sinds de vroege jaren 80 (in De Morgen, De Standaard, P-Magazine, Highlife en vele andere bladen) en richtte deze site op in 2002. Auteur van 'De Rasta Revelatie' (2008) en 'In Het Spoor Van De Keizer' (2016).
Nov 14, 2004