Reggae.be
Het verhaal van twee leeuwen: Haile Selassie en België - deel 3
Roots & Culture 13 oktober 2026

Het verhaal van twee leeuwen: Haile Selassie en België - deel 3

door Jah Rebel

XXXX

De Belgische militaire missies in Ethiopië (1930-1935)

Eén van de eerste prioriteiten die keizer Haile Selassie zich na zijn kroning op 2 november 1930 stelde, was de reorganisatie en modernisering van zijn troepen. Dat hij daarvoor beroep deed op Belgische steun heeft wellicht een aantal redenen. Zowel Frankrijk, Groot-Brittannië als Italië roerden zich al aan de grenzen van Ethiopië. België daarentegen was een kleine Europese natie die voor geen van deze militaire grootmachten een onmiddellijke bedreiging zou vormen en tegelijk dankzij haar aanwezigheid in Belgisch-Congo al heel wat ervaring op Afrikaanse bodem kon inbrengen.

In eerste instantie moesten de Belgen de Keizerlijke garde[i] een westerse opleiding geven. De garde moest een elitekorps worden om zo de persoonlijke macht van de keizer te verstevigen.

De Belgische officieren behaalden uitstekende resultaten, vooral te danken aan twee factoren: ze pasten de westerse opleidingsmethoden waar nodig aan de mentaliteit van de Ethiopiërs aan en werden geleid door de bekwame majoor Ernest Polet, die als voormalig lid van de Openbare Weermacht in Belgisch-Congo de Afrikaanse zeden goed kende.

Brussel hoopte uit de militaire aanwezigheid ook enige economische voordelen te putten, maar buiten enkele grote bestellingen bij FN[ii] bleef de Ethiopische interesse grotendeels uit.

In april van 1933 arriveert een tweede contingent van vier Belgische officieren in Ethiopië, en voor het eerst overweegt Haile Selassie de verdediging van de provincies. Met dat doel belast hij drie instructeurs, de luitenants de Ceunynck, de Meulenaer en Vandendriessche, met het oprichten van een nieuw opleidingscentrum in Goba, hoofdplaats van de strategisch belangrijke regio Balé, die als kwetsbaar werd beschouwd voor mogelijke Britse aanvallen vanuit Brits-Oost-Afrika (het huidige Kenia) of Italiaanse agressie vanuit Somalië.

Tegelijk stelde het keizerlijk hof vier Belgische rijkswachtofficieren aan (majoor Leclaire, kapitein Coppenolle en de luitenants Verachtert en Vanderoost) om de gendarmerie van Addis Abeba te reorganiseren. Deze politiemissie moest naar Europees model orde brengen in de hoofdstad en tegelijk het moderne imago van Ethiopië versterken in de ogen van westerse diplomaten.

In diezelfde logica werd in november 1933 ook de Ethiopiër Mekonnen Deneke naar België gestuurd om er een opleiding te volgen aan  de Koninklijke Rijkswachtschool van Elsene. Voor Deneke vormde deze opleiding het begin van een bijzonder succesvolle militaire loopbaan, die hem uiteindelijk zou brengen tot de rang van brigadegeneraal.

Het project mislukte echter: de Belgische officieren raakten verward door lokale gebruiken en hun werk werd gesaboteerd door het hoofd van de gemeentelijke administratie, dat weigerde met blanken samen te werken. Door deze moeilijkheden kon de missie zich niet handhaven en werd ze al na een jaar teruggeroepen.

In een derde fase kregen buitenlandpolitieke overwegingen de bovenhand. De keizer, die de toenemende Italiaanse druk op de grenzen van Ethiopië gewaar werd, besloot in januari van 1934 om in de strategisch belangrijke provincies langs de grens met de Italiaanse kolonies Somaliland en Eritrea  nieuwe opleidingscentra op te richten.

Het belangrijkste centrum, Harar, hoofdstad van de gelijknamige provincie ten oosten van Addis Abeba, vormde het bolwerk van de Ethiopische verdediging tegen Somaliland en Italiaans Somalië. Onder leiding van majoor Auguste Dothée, en met vier officieren (kapitein Listray, luitenant ridder de Dieudonné de Corbeek-over-Loo en de onderluitenants Tellier en Meys), werden ongeveer drieduizend soldaten samengebracht in twee traditionele infanteriebataljons, aangevuld met een batterij automatische 20 mm Oerlikon-kanonnen (van Zwitserse makelij), twee eskadrons cavalerie en een compagnie meharisten (kameeltroepen).

Gezien de dreigende Italiaanse invasie komen daar vanaf mei 1935 nog een peloton bruggenbouwers, een rudimentaire geneeskundige dienst en een eskader pantserwagens bij. Om mogelijke offensieve plannen vanuit Somalië te voorkomen, stelt luitenant Cambier een korps van ongeveer duizend rekruten samen in Irga-Alem, het administratieve centrum van Sidamo in het zuiden van het land en tevens de thuishaven van ras Desta, schoonzoon van de keizer, maar een tegenstander van het regime. Ten slotte nam in Dessie, in Wollo, ten noorden van Addis Abeba, kapitein Motté de opleiding op zich van een ongeveer even groot aantal soldaten, bestemd om een eventuele invasie vanuit Eritrea het hoofd te bieden.

Vanaf 1935 begon Mussolini druk uit te oefenen op de Belgische regering om de militaire bijstand aan Ethiopië te verminderen. Eerst werden de wapenleveringen van FN opgeschort en nadien werd de zending teruggeroepen, dit zeer tot ongenoegen van de keizer. De houding van de Belgische regering in het Italo-Ethiopische conflict zou dan ook voor een jarenlange verkilling van de relaties tussen België en Ethiopië zorgen.

We willen terzijde nog even vermelden dat er ook na het vertrek van de Belgische militairen nog een officieuze Belgische militaire missie actief was in Ethiopië. Op 16 september 1935 krijgt eerste minister Van Zeeland bericht dat elf Belgische huurlingen, allen gepensioneerde officieren of reservisten, aangekomen waren in Addis Abeba, alwaar ze de Ethiopische keizer zouden bijstaan met verdere herstructureringen van het leger en het politiekorps. Het is paradoxaal genoeg kolonel Leopold Reul, in eigen land berucht vanwege zijn nationalistische en fascistische stellingnames, een man die zijn bewondering voor Mussolini en diens fascistische regime niet onder stoelen of banken steekt, die de leiding heeft over dit zootje ongeregeld.

De Belgische regering was allesbehalve opgezet met deze gang van zaken. In naam van de neutraliteit had zij zich strikt onthouden van elke vorm van steun aan zowel Ethiopië als Italië, en het feit dat elf Belgen de fakkel van de officiële missie overnamen, werd als bijzonder problematisch ervaren. De regering probeerde de missie dan ook te laten stopzetten door dreigementen te uiten en erop te wijzen dat acht van de elf huurlingen nog militaire verplichtingen hadden, waardoor hun aanwezigheid in Ethiopië onwettig was. Dat deelname aan een buitenlands leger voor Belgen met lopende dienstverplichtingen formeel verboden was, werd nogmaals nadrukkelijk in herinnering gebracht, maar deze waarschuwingen konden de betrokkenen niet afschrikken.

Eenmaal aangekomen in Addis Abeba gingen Reul en zijn kompanen aan de slag, maar hun impact bleef zeer beperkt. Reul zelf kreeg de opdracht het centrale hoofdkwartier van de Ethiopische legers te organiseren, een taak die volgens tijdgenoten gedoemd was te mislukken door de erbarmelijke staat van de verbindingen tussen de generale staf en de troepen aan het front. Vanden Hende, Henrion en Bérard werden ingezet bij een censuurbureau in de hoofdstad, waar zij telegrammen controleerden en negatieve berichtgeving over Ethiopische wreedheden of het chaotische leven in Addis Abeba moesten filteren. Luitenant Armand Frère werd naar de provincie Sidamo gestuurd om daar troepen op te leiden, maar kwam in conflict met ras Desta Damtew, shum of gouverneur en legeraanvoerder van die regio. Hij werd bedreigd en verjaagd en moest te voet de ongeveer 300 kilometer van Irgalem naar Addis Abeba afleggen. Luitenant Adelin de Fraipont, die de keizer vergezelde op inspectiereizen, raakte ernstig gewond aan de arm tijdens Italiaanse bombardementen op Dessie, waarna hij uit actieve dienst verdween. Edmond Debois en Gustave Witmeur traden op als hoofdadviseurs van ras Nasibu Zeamanuel in de Ogaden en moesten samenwerken met Mehmet Vehip Kaçı Paşa, een Turkse militaire adviseur van deze ras, wiens defensieplannen zij zelf als weinig realistisch bestempelden. De herstructurering en opleiding van de politie werd toevertrouwd aan Joseph Van Fleteren, die deze opdracht alleen moest uitvoeren en daarbij, net als zijn voorganger kapitein Leclaire, al snel botste op een schrijnend gebrek aan middelen en personeel.

Het falen van deze officieuze Belgische huurlingenmissie was uiteindelijk dan ook onvermijdelijk. Interne Ethiopische spanningen, groeiende xenofobie tegenover Europeanen, onregelmatige betaling en onduidelijke gezagsverhoudingen maakten het werk van de Belgen steeds gevaarlijker. Reul keerde begin 1936 ziek terug naar België en zou niet meer naar Ethiopië terugkeren; de overige huurlingen volgden later, vooral uit zelfbehoud.


De Belgisch-Congolese bijdrage aan de bevrijding van Ethiopië (1941)

Ook bij de bevrijding van Ethiopië in 1941 hebben Belgisch-Congolese troepen een niet onbelangrijke bijdrage geleverd[iii].

Nadat het Duitse leger op 10 mei 1940 België binnenvalt, vlucht een groot deel van de Belgische regering naar het buitenland, eerst naar Frankrijk en daarna naar Groot-Brittannië, waar een regering in ballingschap gevormd wordt. Hoewel de Belgische regering in ballingschap aanvankelijk zeer terughoudend bleef met betrekking tot deelname aan de geallieerde acties, sprak Pierre Ryckmans, gouverneur-generaal van Belgisch-Congo van in het begin veel strijdvaardigere taal[iv].

De grenzen van Belgisch-Congo werden echter niet onmiddellijk bedreigd en het bleef in eerste instantie dan ook bij wat krijgshaftige uitspraken en materiële hulp om de geallieerde oorlogsmachine draaiende te houden[v].

Maar wanneer de Italianen zich op 10 juni 1940 achter Duitsland scharen heeft Ryckmans al snel de troeven in handen om tot de actie over te gaan: op 15 oktober 1940 torpedeert de Italiaanse sommergibile[vi] Cappellini bij de Azoren het onder Belgische vlag varende koopvaardijschip Kabalo en vanaf 25 oktober 1940 beginnen de Italianen Belgische vliegvelden te gebruiken als uitvalsbasis voor bombardementen op Groot-Brittannië[vii].

Generaal-Majoor Gilliaert reist vanuit Stanley Pool in het westen van Belgisch-Congo met enkele bataljons af richting Ethiopië; een trek van meer dan tweeduizend kilometer over zeer moeilijk terrein.

Op 11 maart 1941 verrassen de Belgisch-Congolese troepen samen met manschappen van de Engelse King's African Rifles de aanwezige Italiaanse bezettingsmacht in Asosa en stoten daarna via Gambella door naar Saio waar ze de Italiaanse bezetter ondanks een groot numeriek overwicht op de knieën weten te krijgen. Het feit dat de Italianen de Congolezen "niam-niam" ("grote eters") noemen en hen zelfs kannibalistische trekken toedichten zal er wellicht iets mee te maken gehad hebben.

De Belgisch-Congolese verliezen beperken zich uiteindelijk tot 500 slachtoffers en die zijn dan nog voornamelijk te wijten aan dysenterie, longaandoeningen als bronchitis en longontsteking en beriberi[viii], terwijl meer dan 15.000 Italiaanse troepen, waaronder negen generaals, de wapens neerlegden en krijgsgevangen genomen werden.

De heldendaad van de Congolezen werd vereeuwigd in een strijdlied:

 

Esengo ya motema ezali na biso

Po ya kopesa mbote na basoda banso

Asosa, Gambela, Saio na mboka ya Abisini


Basoda ba biso babundi mingi, makasi pe,

na bobangi te, tokamati mboka ya bangunya,

totalisi makasi ya biso

Lelo, tokamati Saio


Saluti, saluti, pesa saluti,

saluti, saluti, pesa saluti,

tokopesa saluti na basoda banso

Tokopesa saluti na basoda banso


Biso ba Congole, toyei kotalisa,

mokambo na motema makasi, ya biso

Lelo, tokamati Saio


Saluti, saluti, pesa saluti,

saluti, saluti, pesa saluti,

tokopesa saluti na basoda banso

Tokopesa saluti na basoda banso



uit: 'This Is A Good Country: Welcome To The Congo' - Albert Makele, 2008


De vreugde in ons hart is groot

Omdat we alle soldaten willen groeten

In Asosa, Gambela, Saio en in het land Abessinië


Onze soldaten hebben hard en moedig gevochten, zonder angst hebben we het land van de vijand ingenomen,

en onze kracht getoond.

Vandaag hebben we Saio veroverd


Groeten, groeten, breng de groeten,

groeten, groeten, breng de groeten,

wij zullen de groeten brengen aan alle soldaten

Wij zullen de groeten brengen aan alle soldaten


Wij, de Congolezen, zijn gekomen om onze moed en vastberadenheid te tonen

Vandaag hebben wij Saio veroverd


Groeten, groeten, breng de groeten,

groeten, groeten, breng de groeten,

wij zullen de groeten brengen aan alle soldaten

Wij zullen de groeten brengen aan alle soldaten


 

In Faradje, de thuishaven van het XIde bataljon van de Force Publique, wordt in 1943 een piramidevormig herinneringsmonument ingehuldigd[ix]. In Schaarbeek[x] en Kinshasa[xi] herinneren twee monumenten, die qua ontwerp sterk op elkaar lijken, nog aan de verdiensten van de troepen van de Force Publique. In 1947 werd de Herinneringsmedaille van de Ethiopische Veldtocht of Médaille Commémorative de la Campagne d'Abyssinie[xii] toegekend aan wie ten minste één jaar had deelgenomen aan de campagne in Abessinië tussen 6 maart en 3 juli 1941.

Wederkerige diplomatie en beeldvorming: de Ethiopische legatie in Brussel en 'Images d'Ethiopie' (1948)

Precies 25 jaar na de oprichting van een Belgische legatie in Addis Abeba, vindt keizer Haile Selassie de tijd rijp om ook in Brussel een Ethiopische legatie te openen. Op woensdag 2 juni 1948 arriveert Tesfaye Teguegn vanuit Parijs in Brussel-Zuid, waar hij wordt opgewacht door de Ethiopische consul in België, Marcel Dupret.

Voor Teguegn is België geen compleet onbekend terrein, want hij maakte als tolk in 1924 al deel uit van de Ethiopische delegatie die, onder leiding van prins-regent ras Tafari Makonnen, een diplomatieke rondreis door Europa ondernam. Teguegn verdiende onder andere zijn sporen bij de Compagnie du Chemin de Fer Franco-Ethiopien, op het Ethiopische Ministerie van Buitenlandse Zaken en op het Ethiopian Ministry of Press and Information.

Ato Tesfaye mag meteen aan de slag, want op 3 juni 1948 wordt in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten het Belgisch-Ethiopisch Gala gehouden, een benefiet ten voordele van de oorlogsslachtoffers, waar die avond 'Images d'Ethiopie', een bejubelde documentaire van de broers Jean en Paul Pichonnier, die het daaropvolgende jaar in competitie zal gaan op het Filmfestival van Cannes. Het is meteen ook de eerste Belgische documentaire over Ethiopië, al had dat even goed anders kunnen lopen: in het Archief van de FOD Buitenlandse Zaken in Brussel vonden we namelijk een brief uit 1927 waarin de Luikse cineast Ernest Genval[xiii] toestemming vroeg om te gaan filmen in Abessinië, een verzoek dat toen echter beleefd werd afgewezen door het Ethiopische hof.

Met de steun van de pas opgerichte chartermaatschappij Sobelair[xiv], die daarmee haar directe verbinding tussen Brussel en Addis Abeba in de kijker wil zetten, trokken de broers met hun filmmateriaal naar Ethiopië, waar ze onder meer het hofleven rond keizer Haile Selassie vastlegden, evenals landschappen, ceremonies en taferelen uit het dagelijkse leven, in een poging het Belgische publiek een genuanceerd en eigentijds beeld van het land te bieden. In 1948 verschijnt in Le Soir Illustré ook nog een zesdelige reeks artikelen van hun hand onder de titel 'Un Reportage Belge En Ethiopie'.

De toenmalige Brusselse burgemeester Joseph Van de Meulebroeck gaf hen ter ondersteuning ook nog volgende geloofsbrief, geadresseerd aan de Ethiopische keizer, mee:

Sire,

Le souvenir de la visite qu'en 1924 Votre Majesté a daigné faire à la ville de Bruxelles, reste vivant dans le cœur des Belges ; ils se souviennent avec émotion l'accueil respectueux et plein d'enthousiasme qu'il leur a été permis à réserver à Celui qui, à cette époque, portait le titre de ras Tafari.

Dans les années qui ont suivi, ils ont souffert des malheurs de Votre Patrie et de Votre Peuple et applaudi au succès final des armées de Votre Majesté et de celles de Ses glorieux alliés. Aussi, ai-je l'honneur de prier Votre Majesté de daigner accepter la présente lettre comme un hommage d'admiration respectueuse de le Ville de Bruxelles pour Votre Majesté et pour Son vaillant peuple.

J'eusse été heureux de pouvoir le faire en personne, mais les circonstances me poussent à profiter du voyage dans Votre Empire de deux de mes concitoyens les plus distingués, Messieurs Pichonnier frères : ils ont bien voulu se charger de remettre à Votre Majesté l'album dont ils sont les auteurs et que je prie humblement Votre Majesté d'accepter comme hommage de la cité en souvenir de la visite qu'Elle fit à notre Hôtel de Ville.

C'est avec les sentiments de la plus profonde gratitude, Sire, que je prie Votre Majesté, d'agréer les hommages de son très fidèle et très obéissant serviteur,

Van de Meulebroeck,

Bourgmestre de Bruxelles    

Duidelijk gecharmeerd, liet Haile Selassie niet na de broers Pichonnier een persoonlijke audioboodschap aan de Brusselse burgemeester mee te geven. We vonden de originele opname terug in de VRT-archieven en delen hier graag de tekst van de Franse vertaling:

Monsieur le Bourgmestre,

Nous avons reçu l'hommage que vous avez bien voulu Nous adresser au nom de la ville de Bruxelles, hommage qui a ravivé les souvenirs que Nous avions gardé de Notre visite à votre cité, en 1924.

Les événements de ces dernières années ont prouvé la solidarité des liens qui unissent l'Ethiopie à la Belgique.

Lorsque Nous avons été convaincu que l'invasion de Notre pays, préméditée depuis longtemps par l'Italie, était devenue imminente malgré Nos efforts pour assurer pacifiquement le respect de Nos droits, et en dépit de l'indignation publique mondiale gagnée à Notre cause, L'Ethiopie qui, avec sa foi en la sécurité collective et avec sa conscience pure, ne s'était nullement préparée à la guerre a été alors contrainte de se procurer des armes pour défendre ses libertés millénaires et repousser l'envahisseur.

Ce dernier, afin de réaliser ses plans préétablis de conquête facile, employa tous les moyens pour Nous munir de ces armes et rendit Notre devoir plus difficile encore.

Si, à ce moment-là, la Belgique ne Nous avait pas sans hésiter ouvert ses portes, et ne Nous avait permis d'obtenir dans ces célèbres fabriques les armes qui Nous étaient indispensables, l'ennemi, comptant s'assurer par sa supériorité d'armement une victoire facile, n'aurait pas été contenu pendant sept mois au point de douter du succès de l'aventure. Il est évident que sa victoire resta incertaine jusqu'à ce que, à la fin du septième mois, il se mit à employer les gaz asphyxiants.

Par la suite, en 1940, l'Italie a cru pouvoir user de représailles envers la Belgique pour l'aide qu'Elle Nous avait apportée, mais au même moment, en Ethiopie, ces armes que la Belgique avait fournies taillaient des brèches dans les flancs de nos ennemis communs et préparaient la voie à la victoire finale des alliés.

Les sentiments d'amitié qui existent entre l'Ethiopie et la Belgique ont ainsi donné la preuve de leur valeur au cours de tristes évènements maintenant passés, et ce nouveau chapitre de l'histoire rapproche encore davantage nos deux pays.  


Tussen missie en engagement: generaal-majoor Dothée in Addis Abeba (1947-1952)

Een van de figuranten in de documentaire van de broers Pichonnier is Generaal-majoor Auguste Dothée, die van 1934 tot 1935 als majoor al deel uitmaakte van de Belgische militaire missie in Ethiopië. Hij keert in 1947 op eigen initiatief terug naar Addis Abeba waar hij de volgende vijf jaar aan het hoofd van de militaire scholen komt te staan.

Onder druk van de Amerikanen, die vanaf 1943 een basis[xv] hadden in Kagnew bij Asmara en hun invloed in Ethiopië wilden vergroten, moet Dothée in 1952 Ethiopië verlaten. Het land zou hem echter nooit meer loslaten en tot aan zijn dood bleef hij, bij gebrek aan officiële diplomatieke vertegenwoordiging van Ethiopië in België[xvi], een loyaal ambassadeur van Haile Selassie. Dothée overleed op 20 december 1972 te Schaarbeek en moest de val van zijn geliefde keizer dus gelukkig niet meer meemaken.


[i] De Kebur Zebenya

[ii] In het Archief van de FOD Buitenlandse Zaken in Brussel is nog een brief van 21 februari 1935 van ras Mulugeta Yeggazu, de toenmalige Ethiopische minister van Oorlog, terug te vinden met een bestelling voor 3000 Mauser-karabijnen, 7000 Mauser-geweren, 250 machinegeweren en 10.000.000 patronen kaliber 7,92 mm.

[iii] In seizoen 4, aflevering 2 van de CANVAS-reeks 'Publiek Geheim' werd deze geschiedenis ook deels uit de doeken gedaan.

[iv] Op 28 mei 1940 gaf gouverneur-generaal Pierre Ryckmans op Radio Léopoldville een emotionele radiotoespraak waarin hij resoluut verklaarde dat Belgisch-Congo de oorlog voortzette.

[v] Aanvankelijk goud, later (na de aanval op Pearl Harbor in december 1941 en de intrede van de Verenigde Staten in de oorlog) ook tin. Na het verlies van de Maleisische rubberplantages aan de Japanners in 1942, groeit Belgisch-Congo uit tot een strategisch leverancier van rubber. Ook het uranium gebruikt in de Amerikaanse atoombommen die in augustus 1945 werden gedropt boven Hiroshima en Nagasaki, was afkomstig uit de uraniummijn van Shinkolobwe in Katanga.

[vi] Een sommergibile is een vaartuig dat vooral geschikt is om aan de oppervlakte te varen en dat zich indien nodig onder water kan begeven, waarbij het wel snelheid en wendbaarheid verliest. In vergelijking met een sottomarino (onderzeeër) beschikt de sommergibile slechts over een beperkt vermogen om onder water te blijven en is hij niet in staat om langere tijd onder water te opereren.

[vii] Het centrale thema van 'Aeroport Urano in Maldegem', de tweede aflevering uit het vierde seizoen van de CANVAS-reeks 'Publiek Geheim'.

[viii] Aandoening die wordt veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1 (thiamine), waarbij één vorm het hart- en vaatstelsel aantast en een andere vorm zich manifesteert met neurologische symptomen. De naam beriberi is mogelijk in de 18e eeuw geleend van het Singalees (de belangrijkste taal van Sri Lanka), waarin de frase බැරි බැරි (bæri bæri) "ik kan niet, ik kan niet" betekent, als gevolg van de ernstige zwakte die onderdeel uitmaakt van het ziektebeeld.

[ix] Het monument is een driezijdige piramide, met op elke zijde de naam van een overwinning van het bataljon (Asosa, Gambela, Saïo) en op de zijde “Gambela” een kleine plaquette met de namen van de Belgische gesneuvelden: kolonel Moulard (of Moulait), luitenant Simonet, luitenant Lambrecht en adjudant Dorgeo.

[x] In 1963 benaderden generaal Van der Meersch, erevoorzitter, en reservecommandant Albert Goffin, voorzitter van URFRACOL (Union Royale des Fraternelles Coloniales, een vereniging van oud-strijders van de Belgische koloniale troepen), de burgemeester van Schaarbeek, de heer Willot, met het verzoek een locatie te vinden voor een monument ter nagedachtenis aan de campagnes van de Force Publique. Het zou uiteindelijk het François Rigasquare worden. Het monument werd ontworpen door de Antwerpenaar Willy Kreitz, professor beeldhouwkunst aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Het zou echter nog tot 1970 duren voordat het monument eindelijk werd ingehuldigd door prins Albert. Het monument toont links het hoofd van een Europese militair met een koloniale helm, rechts het hoofd van een Congolese militair met een fez, en in het midden twee handen die elkaar schudden, als symbool van de vriendschap tussen de twee strijders. Op de achterkant van het monument staat de tekst van een toespraak van koning Boudewijn, uitgesproken op 30 juni 1960 in Kinshasa, waarin hij een warm eerbetoon bracht aan de Force Publique.

[xi] Duidelijk geïnspireerd door het monument in Schaarbeek, werd het Mémorial aux Anciens Combattants op 1 december 2005 ingehuldigd door de Belgische en Congolese ministers van Defensie, in aanwezigheid van commandant Pedro Michel, vicepresident van URFRACOL. Het bevindt zich in de gemeente Kasa Vubu, bij het Rondpunt van de Force Publique. Het monument toont links de profielen van twee Congolese soldaten met hun fez, rechts het profiel van een Belgische officier met een koloniaal helm en een Congolese onderofficier, en in het midden een afbeelding gebaseerd op de Medaille voor de Koloniale Oorlogsinspanning 1940-1945.

[xii] De medaille werd ontworpen door beeldhouwer Arthur Dupagne. Ze is geslagen in gepatineerd brons, heeft een trapeziumvorm en meet 45 mm hoog bij 31 mm breed, met twee gebogen zijkanten. De voorzijde toont de overlappende, naar rechts gerichte profielen van het hoofd van een Europese en een Afrikaanse soldaat, met onderaan de jaartallen 1940-1941. De keerzijde vermeldt de namen van de drie belangrijkste gevechten van de campagne: SAIO, GAMBELA en ASOSA, met een ster erboven en eronder. Het lint is lichtblauw met groene boorden en een gele middenstreep.

[xiii] Ernest Genval (1884-1945), echte naam Ernest Thiers, was een Belgisch chansonnier, dichter en cineast, vooral bekend om zijn films die hij tussen 1924 en 1938 in Belgisch-Congo draaide. Tijdens de Eerste Wereldoorlog trad hij meer dan 8000 keer op als “chansonnier van het leger” en publiceerde hij verschillende bundels patriottische liederen. Vanaf 1925 maakte hij in opdracht van de Belgische overheid propagandafilms over Belgisch-Congo, waaronder ‘Le Congo Qui S’éveille’ (1927), dat hem internationale bekendheid opleverde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog sloot hij zich aan bij het verzet, werd in 1942 door de Gestapo gearresteerd en stierf in 1945 aan tyfus in Dachau.

[xiv] Sobelair was de oudste chartermaatschappij van België. Het bedrijf werd in 1946 opgericht onder de naam Société Belge des Transports Aériens voor een luchtvaartverbinding tussen België en Belgisch-Congo. Later werd Sobelair een chartermaatschappij die vloog op meer dan 70 bestemmingen. Zo komt er eind 1947, op vraag van de Ethiopische overheid, een vaste verbinding tussen Addis-Abeba en Brussel. Sobelair werd in januari 2004 failliet verklaard.

[xv] Kagnew Station was een Amerikaanse legerbasis in Asmara, Eritrea, op de Hoorn van Afrika. De basis werd in 1943 opgericht als een radiostation van het Amerikaanse leger. Ze nam een reeds bestaande Italiaanse radiobasis, Radio Marina, over en knapte die op nadat de Italiaanse troepen in Asmara zich in 1941 aan de geallieerden hadden overgegeven. Kagnew Station bleef operationeel tot 29 april 1977, toen de laatste Amerikanen vertrokken. De basis huisvestte het 4e detachement van het Second Signal Service Battalion van het Amerikaanse leger. De basis had vier belangrijke functies: ze diende als strategisch communicatiestation van het Amerikaanse leger, als grondstation voor het Defense Satellite Communications System, als communicatiestation van de Amerikaanse marine, en als hoogfrequente zender voor diplomatieke communicatie. Kagnew Station functioneerde als een stad in een stad, met een eigen watervoorziening, ontspanningsfaciliteiten en woningen. De aanwezigheid van Kagnew was zeer impopulair bij Eritrese nationalisten en studenten.

[xvi] De Ethiopische ambassade in Brussel opende pas de deuren in 1970 met Zijne Excellentie Lij Michaël Imru als ambassadeur.

Het verhaal van twee leeuwen: Haile Selassie en België - deel 3

Over de auteur

Jah Rebel
Meer

Lag samen met Jah Shakespear aan de basis van Reggae.be; eerst als recensent en interviewer, en vanaf eind 2014 ook als hoofdredacteur. Verdeelt zijn tijd tussen zijn twee passies: muziek en Haile Selassie.

Gepubliceerd

13 oktober 2026