De Belgische militaire missies in Ethiopië (1930-1935)

Eén van de eerste prioriteiten die keizer Haile Selassie zich na zijn kroning op 2 november 1930 stelde, was de reorganisatie en modernisering van zijn troepen. Dat hij daarvoor beroep deed op Belgische steun heeft wellicht een aantal redenen. Zowel Frankrijk, Groot-Brittannië als Italië roerden zich al aan de grenzen van Ethiopië. België daarentegen was een kleine Europese natie die voor geen van deze militaire grootmachten een onmiddellijke bedreiging zou vormen en tegelijk dankzij haar aanwezigheid in Belgisch-Congo al heel wat ervaring op Afrikaanse bodem kon inbrengen.

In eerste instantie moesten de Belgen de Keizerlijke garde[i] een westerse opleiding geven. De garde moest een elitekorps worden om zo de persoonlijke macht van de keizer te verstevigen.

De Belgische officieren behaalden uitstekende resultaten, vooral te danken aan twee factoren: ze pasten de westerse opleidingsmethoden waar nodig aan de mentaliteit van de Ethiopiërs aan en werden geleid door de bekwame majoor Ernest Polet, die als voormalig lid van de Openbare Weermacht in Belgisch-Congo de Afrikaanse zeden goed kende.

Brussel hoopte uit de militaire aanwezigheid ook enige economische voordelen te putten, maar buiten enkele grote bestellingen bij FN[ii] bleef de Ethiopische interesse grotendeels uit.

In april van 1933 arriveert een tweede contingent van vier Belgische officieren in Ethiopië, en voor het eerst overweegt Haile Selassie de verdediging van de provincies. Met dat doel belast hij drie instructeurs, de luitenants de Ceunynck, de Meulenaer en Vandendriessche, met het oprichten van een nieuw opleidingscentrum in Goba, hoofdplaats van de strategisch belangrijke regio Balé, die als kwetsbaar werd beschouwd voor mogelijke Britse aanvallen vanuit Brits-Oost-Afrika (het huidige Kenia) of Italiaanse agressie vanuit Somalië.

Tegelijk stelde het keizerlijk hof vier Belgische rijkswachtofficieren aan (majoor Leclaire, kapitein Coppenolle en de luitenants Verachtert en Vanderoost) om de gendarmerie van Addis Abeba te reorganiseren. Deze politiemissie moest naar Europees model orde brengen in de hoofdstad en tegelijk het moderne imago van Ethiopië versterken in de ogen van westerse diplomaten.

In diezelfde logica werd in november 1933 ook de Ethiopiër Mekonnen Deneke naar België gestuurd om er een opleiding te volgen aan  de Koninklijke Rijkswachtschool van Elsene. Voor Deneke vormde deze opleiding het begin van een bijzonder succesvolle militaire loopbaan, die hem uiteindelijk zou brengen tot de rang van brigadegeneraal.

Het project mislukte echter: de Belgische officieren raakten verward door lokale gebruiken en hun werk werd gesaboteerd door het hoofd van de gemeentelijke administratie, dat weigerde met blanken samen te werken. Door deze moeilijkheden kon de missie zich niet handhaven en werd ze al na een jaar teruggeroepen.

In een derde fase kregen buitenlandpolitieke overwegingen de bovenhand. De keizer, die de toenemende Italiaanse druk op de grenzen van Ethiopië gewaar werd, besloot in januari van 1934 om in de strategisch belangrijke provincies langs de grens met de Italiaanse kolonies Somaliland en Eritrea  nieuwe opleidingscentra op te richten.

Het belangrijkste centrum, Harar, hoofdstad van de gelijknamige provincie ten oosten van Addis Abeba, vormde het bolwerk van de Ethiopische verdediging tegen Somaliland en Italiaans Somalië. Onder leiding van majoor Auguste Dothée, en met vier officieren (kapitein Listray, luitenant ridder de Dieudonné de Corbeek-over-Loo en de onderluitenants Tellier en Meys), werden ongeveer drieduizend soldaten samengebracht in twee traditionele infanteriebataljons, aangevuld met een batterij automatische 20 mm Oerlikon-kanonnen (van Zwitserse makelij), twee eskadrons cavalerie en een compagnie meharisten (kameeltroepen).

Gezien de dreigende Italiaanse invasie komen daar vanaf mei 1935 nog een peloton bruggenbouwers, een rudimentaire geneeskundige dienst en een eskader pantserwagens bij. Om mogelijke offensieve plannen vanuit Somalië te voorkomen, stelt luitenant Cambier een korps van ongeveer duizend rekruten samen in Irga-Alem, het administratieve centrum van Sidamo in het zuiden van het land en tevens de thuishaven van ras Desta, schoonzoon van de keizer, maar een tegenstander van het regime. Ten slotte nam in Dessie, in Wollo, ten noorden van Addis Abeba, kapitein Motté de opleiding op zich van een ongeveer even groot aantal soldaten, bestemd om een eventuele invasie vanuit Eritrea het hoofd te bieden.

Vanaf 1935 begon Mussolini druk uit te oefenen op de Belgische regering om de militaire bijstand aan Ethiopië te verminderen. Eerst werden de wapenleveringen van FN opgeschort en nadien werd de zending teruggeroepen, dit zeer tot ongenoegen van de keizer. De houding van de Belgische regering in het Italo-Ethiopische conflict zou dan ook voor een jarenlange verkilling van de relaties tussen België en Ethiopië zorgen.

We willen terzijde nog even vermelden dat er ook na het vertrek van de Belgische militairen nog een officieuze Belgische militaire missie actief was in Ethiopië. Op 16 september 1935 krijgt eerste minister Van Zeeland bericht dat elf Belgische huurlingen, allen gepensioneerde officieren of reservisten, aangekomen waren in Addis Abeba, alwaar ze de Ethiopische keizer zouden bijstaan met verdere herstructureringen van het leger en het politiekorps. Het is paradoxaal genoeg kolonel Leopold Reul, in eigen land berucht vanwege zijn nationalistische en fascistische stellingnames, een man die zijn bewondering voor Mussolini en diens fascistische regime niet onder stoelen of banken steekt, die de leiding heeft over dit zootje ongeregeld.

De Belgische regering was allesbehalve opgezet met deze gang van zaken. In naam van de neutraliteit had zij zich strikt onthouden van elke vorm van steun aan zowel Ethiopië als Italië, en het feit dat elf Belgen de fakkel van de officiële missie overnamen, werd als bijzonder problematisch ervaren. De regering probeerde de missie dan ook te laten stopzetten door dreigementen te uiten en erop te wijzen dat acht van de elf huurlingen nog militaire verplichtingen hadden, waardoor hun aanwezigheid in Ethiopië onwettig was. Dat deelname aan een buitenlands leger voor Belgen met lopende dienstverplichtingen formeel verboden was, werd nogmaals nadrukkelijk in herinnering gebracht, maar deze waarschuwingen konden de betrokkenen niet afschrikken.

Eenmaal aangekomen in Addis Abeba gingen Reul en zijn kompanen aan de slag, maar hun impact bleef zeer beperkt. Reul zelf kreeg de opdracht het centrale hoofdkwartier van de Ethiopische legers te organiseren, een taak die volgens tijdgenoten gedoemd was te mislukken door de erbarmelijke staat van de verbindingen tussen de generale staf en de troepen aan het front. Vanden Hende, Henrion en Bérard werden ingezet bij een censuurbureau in de hoofdstad, waar zij telegrammen controleerden en negatieve berichtgeving over Ethiopische wreedheden of het chaotische leven in Addis Abeba moesten filteren. Luitenant Armand Frère werd naar de provincie Sidamo gestuurd om daar troepen op te leiden, maar kwam in conflict met ras Desta Damtew, shum of gouverneur en legeraanvoerder van die regio. Hij werd bedreigd en verjaagd en moest te voet de ongeveer 300 kilometer van Irgalem naar Addis Abeba afleggen. Luitenant Adelin de Fraipont, die de keizer vergezelde op inspectiereizen, raakte ernstig gewond aan de arm tijdens Italiaanse bombardementen op Dessie, waarna hij uit actieve dienst verdween. Edmond Debois en Gustave Witmeur traden op als hoofdadviseurs van ras Nasibu Zeamanuel in de Ogaden en moesten samenwerken met Mehmet Vehip Kaçı Paşa, een Turkse militaire adviseur van deze ras, wiens defensieplannen zij zelf als weinig realistisch bestempelden. De herstructurering en opleiding van de politie werd toevertrouwd aan Joseph Van Fleteren, die deze opdracht alleen moest uitvoeren en daarbij, net als zijn voorganger kapitein Leclaire, al snel botste op een schrijnend gebrek aan middelen en personeel.

Het falen van deze officieuze Belgische huurlingenmissie was uiteindelijk dan ook onvermijdelijk. Interne Ethiopische spanningen, groeiende xenofobie tegenover Europeanen, onregelmatige betaling en onduidelijke gezagsverhoudingen maakten het werk van de Belgen steeds gevaarlijker. Reul keerde begin 1936 ziek terug naar België en zou niet meer naar Ethiopië terugkeren; de overige huurlingen volgden later, vooral uit zelfbehoud.


[i] De Kebur Zebenya

[ii] In het Archief van de FOD Buitenlandse Zaken in Brussel is nog een brief van 21 februari 1935 van ras Mulugeta Yeggazu, de toenmalige Ethiopische minister van Oorlog, terug te vinden met een bestelling voor 3000 Mauser-karabijnen, 7000 Mauser-geweren, 250 machinegeweren en 10.000.000 patronen kaliber 7,92 mm.