History
Hoe de man die Bob Marley ontdekte België naar de reggae leerde luisteren.
Bob Marley zou op 6 februari 66 jaar geworden zijn, een verjaardag die ook in Geel (waar anders?) uitbundig gevierd wordt, zij het wel, pas volgend weekend. Maar er is nog een veel mooiere connectie tussen Marley en België. De man die de reggae begin jaren '80 een flinke boost gaf in ons land, had Bob Marley tien jaar daarvoor zelf op het voorplan gebracht. Rewind van een artikel dat we 6 jaar geleden voor het eerst publiceerden, onze tribute to Bob Marley.
Brent Clarke was geen Jamaicaan. Hij werd geboren op Trinidad & Tobago, ook een Caribisch eiland, maar dan wel de bakermat van de calypso. De reggae leerde hij pas kennen toen hij midden jaren '60 naar Londen emigreerde. Clarke probeerde fortuin te maken in de sterk opkomende Caribische muziekindustrie, met ska, reggae en calypso als speerpunten, en organiseerde dansfeesten (dances) en concerten. In 1972 maakte hij in de Mr.Bees Club in Peckham, South-London kennis met Johnny Nash, Danny Simms en Bob Marley, een ontmoeting die vooral het leven van die laatste ingrijpend zou veranderen.
De populaire Amerikaanse zanger Johnny Nash en zijn zakenpartner Danny Simms hadden Marley in 1968 al opgezocht in Jamaica. Ze wisten The Wailers (naast Bob Marley ook Peter Tosh en Bunny Livingstone ‘Wailer') te strikken als songschrijvers voor hun muziekbedrijfje JAD (Johnny And Danny) en voor de opname van de backing tracks voor twee Johnny Nash-albums, muziek die nooit is uitgebracht. De muzikanten kregen ieder vijftig dollar per week uitbetaald.
Al gauw bleek dat JAD The Wailers alleen maar had ingehuurd tot meerdere eer en glorie van Johnny Nash, en zeker niet om hun carrière verder uit te bouwen. Ze voelden zich dan ook op geen enkele manier gebonden toen Lee ‘Scratch' Perry hen uitnodigde om opnames te maken voor zijn nieuwe label Upsetter. The Wailers hadden Perry leren kennen bij Studio One, het moederlabel van de reggae, en ze wisten ook dat de jonge producer een stel uitstekende muzikanten in huis had, met de broers Aston ‘Family' Man (bas) en Carlton (drums) Barrett als ritmesectie. Het gezelschap, The Upsetters, had zelfs al een internationale hit gescoord, ‘Return of Django', samen met ‘Israelites' van Desmond Dekker de voorloper van een genre dat nog maar amper een naam had gekregen. Reggae werd toen trouwens nog anders geschreven, zoals in de songtitel van Toots & The Maytals om precies te zijn, ‘Do the reggay'.
De nummers op de door Perry uitgebrachte albums ‘Soul Rebel' (in Europa uitgebracht als ‘Rasta Revolution') en ‘Soul Rebel II' (‘African Herbsman') behoren tot het beste wat Bob Marley & The Wailers ooit gemaakt hebben maar zijn door de duizendvoudige uitverkoop van de rechten wel enigszins gedevalueerd. Zowat alle Marley-compilaties die niet het Island-label dragen, vissen in diezelfde Upsetter-vijver, vaak zonder enig respect voor de geluidskwaliteit van de originele opnames.
Lee Perry mocht dan al een geniale vernieuwer zijn, als producer was hij in hetzelfde bedje ziek als het gros van zijn Jamaicaanse collega's. Geen langetermijnvisie, geen structurele ondersteuning van de artiesten, geen bindende afspraken of contracten. Die authentieke spontaneïteit is voor de reggae tegelijk een zegen en een vloek geweest. Het zijn de producers en studiotechnici die de muziek telkens weer opnieuw hebben uitgevonden, die samen met hun studiomuzikanten nieuwe ritmes, arrangementen en ideeën hebben bedacht. De zangers werden meestal betaald per opnamesessie en kregen vaak niet eens de rechten van hun eigen songs.
Rijk waren The Wailers dus nog altijd niet geworden. Bob Marley bleef hopen dat JAD de groep zou helpen bij de uitbouw van een internationale carrière, zeker toen Nash en Simms hen in 1972 samen met de Barrett-broers naar Engeland haalden voor een concerttournee. Het bleek andermaal een drogreden te zijn. Eerst moest Marley het scenario helpen schrijven van een film waarin Johnny Nash de hoofdrol zou spelen. De film werd nooit uitgebracht. Daarna speelde de groep de backing tracks in voor wat Nash's meest succesvolle plaat zou worden, ‘I can see clearly now'. De muzikanten logeerden in een sjofel hotel in Bayswater en voelden zich onheus behandeld.
Bob Marley was blij dat hij nog eens met iemand uit de Cariben kon praten, want hij had zijn Jamaicaanse vrienden in Londen nog niet opgezocht. En misschien kon Brent Clarke hem ook wel helpen om door te breken in Engeland. Die nacht in de Mr.Bees Club aanvaardde Clarke het voorstel om promotiemanager te worden van Johnny Nash. Hij deed dat zo goed dat Danny Simms hem ook de zorg over The Wailers toevertrouwde, die zich door de radicale en confronterende uitspraken van Bunny Wailer nogal wat negatieve publiciteit op de hals hadden gehaald. Brent Clarke bracht de groep onder in een huurhuis, waar de muzikanten eindelijk hun eigen potje mochten koken - typisch Jamaicaans - en hun vrienden konden ontvangen. Maar de relatie met JAD werd er alleen maar slechter op, en toen Nash en Simms terugkeerden naar de Verenigde Staten, lieten ze The Wailers gewoon aan hun lot over. Zelfs hun verblijfsvergunningen waren niet meer in orde.
Clarke zocht en vond een nieuwe baan bij Island Records, het label van de (blanke) Jamaicaanse producer Chris Blackwell, die in 1964 met het skanummer ‘My Boy Lollipop' (Millie Small) al de eerste Jamaicaanse wereldhit had gescoord. Nu was hij op zoek naar een artiest die de reggae internationaal bekend zou kunnen maken. Hij had gehoopt met Jimmy Cliff te kunnen werken, hoofdrolspeler in de allereerste Jamaicaanse langspeelfilm ‘The harder they come', waarvan de titeltrack door Brent Clarke gepromoot werd als hitsingle. Maar Cliff vroeg 20.000 pond en Blackwell wilde maar 14.000 geven.
Het was in die omstandigheden dat Clarke Chris Blackwell voorstelde aan Bob Marley. De Island-baas reageerde enthousiast - hij was al een fan geweest toen The Wailers midden jaren '60 een resem ska-hits scoorden - en keerde de band meteen 8000 pond voorschot uit om een plaat op te nemen, waarvan duizend pond commissie voor Clarke. Die The Wailers op zijn beurt 750 pond betaalde om terug te vliegen naar Jamaica, waar ze ‘Catch a fire' zouden maken, de eerste Island-plaat, de plaat van de internationale doorbraak.
Toen er contracten moesten getekend worden, zagen The Wailers Brent Clarke plots niet meer zitten als manager. Vooral Bunny Wailer verzette zich tegen een overeenkomst en haalde zijn slag thuis. Een jaar later zou hij de band definitief verlaten.
Clarke zette in 1974 nog het Atra-label op maar zou zich nooit echt kunnen doorzetten in de muziekbusiness. Tegen het einde van de jaren '70 raakte hij verwikkeld in een financieel conflict en zag hij zich gedwongen om Engeland te verlaten.
Wij hebben nooit geweten wat Brent precies had uitgestoken in Londen. Toen we hem leerden kennen, was hij voor ons gewoon een nieuwe platenboer, de uitbater van de tweede winkel in Antwerpen (na Rasta Connection) waar je haast uitsluitend reggaeplaten kon kopen, Music Station Imports. Hele dagen hebben we er rondgehangen, luisterend naar de nieuwste producties uit Engeland en Jamaica maar ook naar de verhalen van Brent over vroeger. Zou hij echt de manager van Bob Marley geweest zijn? Hij was in elk geval getrouwd met de bloedmooie Janet Mundell, fotomodel, ex-Miss Jamaica en de zus van Hugh Mundell, een van onze favoriete zangers. In de kelder van de winkel had hij duizenden oude singles staan, bijna allemaal collector's items. Hij versierde een programma op de ‘vrije' Radio Centraal, waar we steevast naartoe mochten komen en zelfs gewoon mee presenteren en live ‘toasten' (rappen). Op de Stadswaag opende Clarke zomaar een reggaeclub, de MSI, schuin tegenover de Cinderella, het roemruchte punkcafé, in de zwaarste uitgangsbuurt van de stad. We konden gewoon het hele weekend reggae horen, afgespeeld door een geweldige installatie. De eerste Antwerpse ‘toasters' (rappers) maakten hun opwachting: Gabba Longsize, Grasshopper, King Flashman. In de nieuwe zaal Hof ter Lo organiseerde Brent de eerste reggaeconcerten. Bob Marley was al in Vorst geweest, Steel Pulse in de Roma en Black Uhuru in de AB, maar Brent Clarke was de eerste promotor die cultreggae programmeerde. Ras Michael & The Sons of Negus, Jah Woosh en andere obscure namen. Hof ter Lo zou later in de jaren '80 ook wel ‘de Antwerpse reggaetempel' genoemd worden, een traditie die werd ingezet door Clarke. Drieduizend mensen zijn er die eerste keer komen opdagen, drie keer meer dan de concertzaal kan verdragen. Overal in de omgeving, toen nog groen en braakliggend terrein, zaten groepjes mensen, als op een festival. Het was niet alleen het eerste grote reggae-evenement in Vlaanderen maar ook een spontane blow-in avant-la-lettre. Wij droegen Brent Clarke op handen. De man die Bob Marley had ontdekt, leerde België naar de reggae luisteren.
Brent Clarke was even plots weer verdwenen als hij gekomen was. De ene dag praatte hij nog met ons over de plannen die hij koesterde - een aanzienlijke uitbreiding van de club en van het aanbod in de winkel, nog meer concerten en festivals - de volgende dag hoorden we dat hij uit België vertrokken was. Opnieuw financiële problemen? Een lucratief aanbod uit het buitenland? We zullen het nooit weten. Clarke is vier jaar geleden overleden. Alzheimer. Hij woonde toen in de Verenigde Staten. Maar wie er bij was, zal die twee wilde jaren nooit meer vergeten. Niet alleen omdat Brent Clarke Antwerpen tijdelijk wist om te toveren tot de wereldhoofdstad van de reggae (of zo voelden wij dat toch aan) maar ook omdat hij ons een blik gunde op een stuk ingrijpende muziekgeschiedenis, de kennismaking tussen Bob Marley en Chris Blackwell. (KM)
Published on 06/02/2011 by Jah Shakespear
Comments
You need to be registered and logged in to post comments.













