History
Ethiopia Calling 15 (slot): Yemrahanna Christos
Op de terugweg naar het hotel nemen Temesgen, Getu en Tesfaye ons mee naar hun hutje. Het blijkt nog kleiner en primitiever te zijn dan we ons hadden voorgesteld. Kassa verzekert ons dat de jongens goede studenten zijn en dat we hen met een gerust hart kunnen ‘sponsoren’ zoals we zelf hebben voorgesteld.Als we willen, zal hij het huurgeld voor de hut persoonlijk aan de huisbaas overhandigen. 50 birr voor een maand, 200 voor vier maanden: het is voor ons een klein bedrag en wat er met het geld ook gebeurt, het zal hoe dan ook besteed worden in de lokale gemeenschap. Je kan niet altijd aan de kant blijven staan.
De jongens kunnen niet overal bij ons blijven. Op sommige plaatsen staat een politieagent te loeren om de kinderen weg te houden van de toeristen, die zouden dat namelijk niet aangenaam vinden. ‘Soms brengen ze ons zelfs naar de gevangenis.’ Zouden toeristen die daarover klagen zich niet schamen, al was het maar een heel klein beetje?
We passeren tal van kleine handeltjes en verkopers in mooi bewerkte stoffen, Ethiopische kruisen, beeldjes en andere souvenirs maar veel toeristen komen hier niet langs. De meeste bezoekers laten zich afzetten en ophalen in hun hotel en komen alleen buiten binnen de relatief ‘veilige’ omheiningen van de kerksites. Niet dat wij zo hoog van de oren moeten blazen met onze laffe behoefte aan warm water en westers eten maar wat kom je hier doen als je bewust de bevolking ontwijkt?
’s Avonds in het restaurant van hotel Roha wil ik een praatje slaan met de mensen van het Afro-Amerikaans-Caribische gezelschap dat hier vertoeft. Er zitten een paar rasta’s tussen, toch mannen met dreadlocks en de trotse uitstraling van de rastaman, en het benieuwt mij hoe zij deze reis ervaren. Een dikke vrouw blijkt het woord te voeren, één van de vele onthutsend dikke zwarte Amerikaanse vrouwen die we hier tegenkomen. Ik vraag me af hoe ze door de smalle tunnels en doorgangen komen in de rotskerken. ‘Informatie heeft een prijs,’ zegt ze nog voor we ons deftig aan elkaar hebben voorgesteld. ‘Als jij van plan bent om deze informatie naar buiten te brengen, wil je daar ook iets aan verdienen, right?’ Helemaal niet right, maar ik krijg amper de kans om me te verdedigen. Ik voel me trouwens helemaal niet genoodzaakt om mezelf te rechtvaardigen maar ik weet al welk vlees ik in de kuip heb. Zwarte medemensen hebben me al vaker arrogant aangesproken en behandeld, vanuit een misplaatst omgekeerd racisme waarschijnlijk, of een onverwerkte frustratie. ‘Je beseft toch dat het ons volk is dat zo lijdt? En dat deze mensen aan tafel hier zich al een leven lang verbonden voelen met het lot van de Afrikanen? Ik respecteer wat jij doet maar wij léven deze realiteit, dit is ook ons land.’
Laat maar zitten, denk ik. Wat voor zin heeft het om in discussie te gaan met iemand die evenveel vooroordelen en dogma’s koestert als de gemiddelde bange blanke man? Die het onfortuinlijke lot van de zwarte Amerikanen in het verleden verwart met de materiële ontberingen van de Ethiopische mens in de 21ste eeuw? Als er dan toch sprake zou zijn van enige verbondenheid, dan toch eerder met de Afro-Amerikanen en Caraïbers die zich deze reis niet kunnen veroorloven, zou ik denken. Maar dat zeg ik allemaal niet. Ik wens de vrouw het beste, ze geeft me niet eens een hand. ‘Sorry brethren,’ zegt een Jamaicaanse rasta, of toch een man met knoestige dreadlocks. ‘Je hoort wat de dame gezegd heeft.’ Ik kijk hem meewarig aan.
De mooiste en best bewaarde rotskerk staat niet in Lalibela. Het is ruim anderhalf uur rijden naar Yemrehanna Kristos, 45 km, alleen te bereiken op de rug van een ezel of met een 4x4. De auto met chauffeur kost ons 50 euro, Kassa vraagt 20 euro voor de uitstap. De meeste bezoekers van Lalibela hebben geen tijd om de trip te maken, trekkers en avonturiers geen geld. Jammer, want ze missen een onvergetelijke belevenis.
We rijden door het hoogland van Lastha, groen in alle tinten zo ver het oog reikt, achter iedere bocht, achter elke heuvel een ander heerlijk vergezicht. ‘Binnen enkele maanden is alles hier bruin,’ zegt Kassa, ‘in het droge seizoen.’ We kunnen het ons maar moeilijk voorstellen. Mensen zijn te voet onderweg met geiten, schapen, koeien en ezels. De vrouwtjes met de veel te grote takkenbossen, de kinderen die ons toezwaaien van uit het veld, blij verbaasd dat er nog eens een auto passeert. We rijden langs kleine dorpjes, tien, vijftien hutjes, meestal een hele familie die bij elkaar woont, weet Kassa. Een groter stadje met iets grotere, stenen huizen strekt zich uit in de buurt van een Food Aid vestiging van de Verenigde Naties. Langs de wegen in de buurt staan grote verweerde borden die melden dat het Amerikaanse volk hier hulp heeft geboden.
De weg wordt almaar slechter. Onze wagen is een oude 4x4, eerder een jeep eigenlijk, maar ook met een nieuwe terreinwagen zou de chauffeur hier uit zijn schulp moeten komen. Dat doet die van ons ook, soms steil naar boven over een rotsig zandpad, en na een dik uur rijden houden we plots al halt in een dorpje. Er klatert een bergbeekje naar beneden, de vallei opent zich naar het lager gelegen plateau waar we vandaan komen. Voor ons ontvouwt zich een paradijselijk mooi berglandschap. Bij het uitstappen worden we begroet door een lachende kip. Kassa kent het geluid, typisch voor de kippen die hier leven. Het is de eerste keer in mijn leven dat ik een dier echt hoor lachen, maar of de kip dat ook zelf zo ervaart?
Vanuit het dorp leidt een mooi aangelegd stenen pad naar de rotskerk, eerst nog in de zon, het tweede stuk in de verfrissende schaduw van de loofbomen. Er zitten een vijftal vrouwen te bedelen langs de weg. De eerste en meest zieltogende van hen, een oude halfblinde vrouw, een graatmagere zombie haast, geef ik tien birr, de anderen kijk ik niet in de ogen. Het blijft een dilemma.
Yemrahanna Kristos is de oudste en meest authentieke kerk die ik ooit bezocht heb, een enkele Romaanse bouwval niet in acht genomen, nog eens een kleine eeuw ouder dan de kerken van Lalibela. Een beschermende muur onttrekt de voorgevel aan het gezicht maar de ingang is op zich al een prachtige plek, naast die fijne, zondoorlichte waterval. Achter de muur toont Kassa ons hoe het gebouw rust op olijfhouten panelen, die als het ware boven de moerassige grond zweven. De kerk zelf is een perfect voorbeeld van de gelaagde façades die ook elders terugkeren, tot in de Aksumitische bouwstijl, zeker in de afwisseling van houten en stenen lagen. De van nature decoratieve techniek doet me denken aan traditionele Engelse of Elzasser huizen, alleen waren die er bij mijn weten nog niet in de tiende eeuw. Het houtsnijwerk in de vensters en binnenin is verbazend verfijnd, de decoratie en rituele voorwerpen, de boeken, de kruisen, de muziekinstrumenten, de ark, getuigen alweer van een ongeschonden religieuze traditie. Nooit heb ik me zo dicht bij de wortels van het christendom gevoeld als in deze kerk, gebouwd in een grot, omspoeld door heilig water. Achter het gebouw liggen de restanten van duizenden pelgrims, een onoverzichtelijke berg schedels, knoken en skeletten. Wij zouden de aanblik luguber noemen, Kassa toont vooral eerbied en respect.
Er komt iedere week maar een handvol toeristen naar Yemrahanna Kristos. De tijdschema’s van de georganiseerde rondreizen laten geen ruimte voor een extra dag Lalibela, toch al een stad waar de meeste bezoekers liefst niet te lang verblijven. Misschien is het wel goed zo. Misschien moeten niet alle unieke plaatsen monumenten zomaar toegankelijk gemaakt worden, en opgenomen in westerse reisplannen. Maar wat zouden de Ethiopiërs er zelf van vinden? Op weg naar het klooster zouden de toeristen allicht een paar keer halt houden, iets willen drinken, een koffieceremonie bijwonen. Is dat een optie voor die dorpjes onderweg? Waarom zou daar in de toekomst geen bescheiden toeristische industrie kunnen ontstaan? Ik zou het iedereen gunnen, zowel de gehaaste westerlingen die Lalibela veel te vlug verlaten als de kinderen, vrouwen en mannen langs de weg die moeten overleven op een hongerloon.
In de vooravond nemen de drie jongens ons mee naar hun plekje aan de rand van de stad. Onder een boom staan enkele zelfgemaakte zitkrukjes, het uitzicht is fantastisch, over de valleien en de plateaus waar we eerder vandaag zijn doorgereden met de auto. Hier komen Temesgen, Getu en Tesfaye iedere dag wat bijpraten en proberen ze hun leven naar waarde te schatten. We hebben zelden zulke diepgaande gesprekken gevoerd met jonge mensen als hier in Ethiopië. Naïviteit blijkt gewoon onbeschaamde eerlijkheid te zijn, het geloof een onverwoestbaar bindmiddel tussen de mensen, en een bron van eeuwige hoop. We beloven om contact te houden via e-mail en hen te blijven steunen in hun studies.
Als we de volgende dag wegrijden uit Lalibela krijg ik een krop in de keel. Pathetisch, ik weet het, maar de ervaringen in Ethiopië raken mijn hart diep. De geschiedenis, het geloof, de natuur, de monumenten en bovenal de mensen. Wij zijn allemaal Ethiopiërs.
Het vliegtuig komt een paar uur later dan verwacht maar de vertraging maakt bij ons geen enkele emotie los. Ik maak me wel druk in enkele van de commentaren die sommige bezoekers hebben achtergelaten in het gastenboek van het luchthaventje. Dat de prijzen hier veel te hoog zijn, en dat ze die kinderen op straat heel vervelend vinden, en dat twee kanalen op tv echt niet volstaan! How dare they? heb ik erbij geschreven. Hoe durven ze zich zo burgerlijk, kleingeestig en koloniaal gedragen? En ik dacht nog wel dat alle bezoekers hier met een missie kwamen, omdat ze hier moésten komen, omdat ze een droom hadden.
Het is donker als we in Addis Ababa arriveren. Het eten in de Makush Art Gallery & Restaurant smaakt mij lang niet zo goed als op oudejaarsavond, toen we hier waren met Zeruhin. Ik kijk plots met heel andere ogen naar de rijke westerlingen en Ethiopiërs die hier aanschuiven maar besef ook dat ik zelf een van hen ben.
Op weg naar het Bole International Hotel rijdt de taxi door een straat waar enkele prostituees paraderen, een relatief nieuw verschijnsel. Zeruhin zal ons de volgende dag vertellen dat ook de homoprostitutie in opgang is in Addis, ‘geïmporteerd door Ethiopiërs die terugkeren uit het westen.’ De wereld was mooier in Lalibela.
Ik wil op onze laatste dag nog één plaats bezoeken, de St. George kathedraal, door keizer Menelik II gebouwd om zijn overwinning in de slag van Adwa te herdenken. In 1916 werd Zewditu er gekroond tot keizerin, in 1930 was het de beurt aan Haile Selassie. Het is niet echt een mooie kerk en we kunnen er vandaag blijkbaar ook niet in. Wel de moeite is het kleine museum in de klokkentoren van St.George, waar een vriendelijke gids een prachtige collectie religieuze stukken toont. Het kroonkleed en de keizerlijke scepter van Haile Selassie, fluwelen paraplu’s ingelegd met juwelen, foto’s (Zewditu met een piepjonge regent Selassie) en documenten, gouden schoenen, stokoude boeken en perkamenten…
Het museumpje is een waardige afsluiter van ons verblijf in Ethiopië. Het hele verhaal, van de stelae in Axum tot de heerschappij van Haile Selassie, trekt voor een laatste keer aan ons voorbij. Daarna maken we onze laatste wandeling door het Addis Abeba van 2007, of nee: van 2000, van het nieuwe millennium. Dit is geen land op het einde van zijn krachten, zoals je op basis van clichés en tv-beelden in het westen zou kunnen vermoeden, maar aan het begin van een renaissance, zoals de premier het treffend uitdrukt. De Ethiopiërs geloven erin, en dat willen wij ook doen. Wat betekenen die paar decennia van miserie in het licht van 3000 jaar geschiedenis? We verlaten het land niet met pijn in het hart, noch met medelijden, wel met de vaste overtuiging dat Ethiopië nog een mooie toekomst wacht. En als het niet lukt, moeten ze de Ark des Verbonds maar bovenhalen. Ik zal de eerste zijn om er mee achter te lopen.
Einde
Published on 03/12/2007 by Jah Shakespear
Comments
You need to be registered and logged in to post comments.












