History
Ethiopia Calling 13: good morning Lalibela
Door het raampje van de Fokker zie ik het paradijs. Hoe zou dat oorspronkelijke land er anders uitgezien hebben, een eindeloze afwisseling van zacht glooiende heuvels, gelaagde plateaus en diepe valleien, in alle tinten groen, zonder zichtbare menselijke aanwezigheid, onontdekt en ongerept, moeder natuur in al haar wijdse glorie? Uit de Hof van Eden ontsprongen vier rivieren, waarvan de Ghion het land van Kush (Ethiopië) omarmde. Zo staat het in Genesis.De luchthaven van Lalibela is zo mogelijk nog bescheidener dan die van Aksum. Een busje van hotel Roha (ook gereserveerd via Ghion in Addis) brengt ons de 23 kilometer naar het stadje. We merken meteen dat we nog dieper in Afrika dringen, nog verder weg van wat wij de beschaving noemen, nog dichter bij de armste mensen van de wereld. Buiten de stad heeft het decor nog iets idyllisch en avontuurlijks, een schitterend shot uit een natuurdocumentaire. Maar naarmate we Lalibela naderen zien we steeds meer tekenen van ontbering. Hier hebben de kleine hutjes, sommige tukuls (met twee verdiepingen) nog daadwerkelijk strooien dakjes en geen golfplaten, zoals in Addis en Axum. Talloze vuurtjes verspreiden vieze rookwolken. Buiten de asfalthoofdweg, uitsluitend aangelegd om de toeristen te bedienen die van en naar de luchthaven gaan, verzakken de wegen en de straten in modder en stenen. Veel mensen staren ons aan, deels uit verveling wellicht, een beetje interesse ook, een flardje hoop misschien en wie weet met gelijkaardige dubbele gevoelens als wij. Kunnen, mogen wij hier wel zijn als toerist? Kan je het wel maken om 50 dollar per dag te spenderen aan een hotel en nog eens zoveel aan eten, toegangsgelden en aalmoezen in een land waar het gemiddelde jaarinkomen 300 dollar bedraagt? Per jaar dus.
Lalibela is geen mooi stadje. Je zou er heel deprimerende beelden kunnen schieten, van het soort die je bij ons vaak op tv ziet, met hologige zwervers, kinderen vol vliegen en smekende moeders. Maar die beelden zou je wel moeten zoeken en zelfs een beetje ensceneren. De inwoners van Lalibela maken namelijk in de eerste plaats een heel trotse en zelfverzekerde indruk, zij het op een eerder ingetogen manier. Ze taxeren ons veeleer dan ons te beoordelen. Ze vragen zich af of je hun rijke geschiedenis kent en of je van plan bent om de volgende dag alweer te vertrekken. Ze voelen dat een diepe materiële kloof ons scheidt maar dat we geestelijk best tot elkaar kunnen komen.
Drie jongens stellen zich aan ons voor en lopen een eindje mee over de brede kasseiweg die het asfalt naar de luchthaven sinds enkele jaren verbindt met de hotelzone aan de andere kant van de stad, hogerop tegen de berg. Het is onze eerste wandeling in Lalibela en we zijn blij dat de jongens ons vergezellen. Ze hebben duidelijk niks kwaads in de zin en willen vooral graag Engels spreken. Natuurlijk vertellen ze ook over hun financiële situatie, jongens van het platteland die hier komen studeren en de huur van hun hutje alleen maar kunnen betalen door schoenen te poetsen. We lopen door een rommelige zijstraat van het stadje, onthutsend armoedig eigenlijk. Ik weet niet of ik al ooit tussen zo’n arme mensen ben geweest. Ook al lijken de meesten dat helemaal niet zo erg te vinden als wij, verwende westerlingen, zouden vermoeden. Zouden ze zich echt kunnen verzoenen met hun situatie, met hun in onze ogen toch wel onderontwikkelde levenssituatie?
Lalibela heeft natuurlijk iets om zich aan op te trekken, om in te geloven, om fier op te zijn, net als Aksum. Lalibela is het nieuwe Jeruzalem, als je de mystieke logica van de Kebra Nagast volgt zelfs het enige uitverkoren Jeruzalem, de hoofdstad van het heilige land.
‘There is only one holy land, my friend,’ zegt de Israëlische toerist die we al eerder zijn tegengekomen tegen een verbouwereerde zwarte Amerikaan. Op de zogenaamde historische route in het noorden van Ethiopië passeer je andere reizigers wel vaker verschillende keren – niet iedereen heeft hetzelfde programma. De Amerikaan heeft net luidop verkondigd dat Ethiopië voor hem het echte heilige land is, de bakermat van de Afrikaanse èn van de christelijke beschaving. Maar de Israëliër duldt geen ketterij en wijst de man streng terecht. Ik moet op mijn tong bijten om niet in discussie te gaan met de Israëliër. En wat is er dan gebeurd met de Ark des Verbonds? En waarom zou hier in voorchristelijke tijden al geen joodse beschaving kunnen geweest zijn? En waarom zou God niet van gedacht veranderd zijn? Maar ik zwijg wijselijk.
Volgens het nieuwe testament is het christendom al in de tijd van de apostelen naar Ethiopië gekomen, toen nog het land dat zich uitstrekte over Nubië (nu Noord-Soedan) en het noordelijke deel van Habasha. Een Ethiopische eunuch, zelf bekeerd door de apostel Filippus, zou de leer van Jezus Christus in het jaar 35 geïntroduceerd hebben aan het hof van Aksum (Handelingen 8:27) In de vroege middeleeuwen ontstond er een conflict met de Beta Israel, de Ethiopische joden (later falasha’s genoemd) van de Beni Hamuya-stam, geleid door de legendarische koningin Judith. Ook christelijke koningen kwamen in opstand. Na de val van Aksum, rond de tiende eeuw, waren het de Agaw Hammieten van Lasta die met goedkeuring van de bevriende en via huwelijken verwante Beta Israel de macht overnamen.
De Zagwe dynastie claimde geen rechtstreekse afstamming van Salomon en Makedda maar wel van Mozes, die ooit met een Ethiopische vrouw zou getrouwd zijn. Het waren de Zagwe die in de elfde en twaalfde eeuw in de rotsen van Roha een aantal kerken uithouwden die tot vandaag ontzag en bewondering wekken, een echt achtste wereldwonder, door de Unesco heel terecht uitgeroepen tot werelderfgoed. De machtigste keizer van de Zagwe was Lalibela, tevens priester, heilige en de man die het nieuwe Jeruzalem zijn huidige naam gaf. Zo invloedrijk was het land in de christelijke wereld dat de sultan van Egypte en Syrië Ethiopië een kapel toekende in de kerk van het Heilig Graf in Jeruzalem én een plaatsje in de grot van de geboorte van Jezus Christus in Betlehem. In die tijd werd ook voor het eerst aangenomen dat Balthazar, één van de drie wijzen uit het oosten, ‘de drie koningen’, een Ethiopiër was, of op zijn minst een Afrikaan.
Wat een geschiedenis. De eerste Europeanen die Lalibela bezochten, de Portugezen, wisten niet wat ze zagen in de zestiende eeuw. Zou de mythische Prester Joannis dan toch in Ethiopië geleefd hebben, zoals het Vaticaan suggereerde, om daar een christelijke strijdmacht op te bouwen? En zouden deze wonderbaarlijke kerken dan zijn erfenis zijn? Dat de Ethiopiërs zelf briljante vaklui waren, konden de imperialistische Europeanen toen maar moeilijk aannemen. Werden de grote Afrikaanse beschavingen in de middeleeuwen nog alom geloofd en geprezen, de geïnstitutionaliseerde slavernij maakte definitief een einde aan de gelijkwaardigheid van zwart en blank, met de zegen van de kerk van Rome. (Hoewel de Europeanen het idee van slavernij op zich gewoon hebben overgenomen van Afrikaanse en Arabische handelaars.) Wat er ook van zij, de kerken staan er nog, en ze maken nog altijd een verbluffende indruk.
Published on 22/11/2007 by Jah Shakespear
Comments
You need to be registered and logged in to post comments.












