History
Ethiopia Calling 8: de stelae van Aksum
Onze Fokker 50 is het enige vliegtuig op het luchthaventje van Aksum, de tweede etappe van onze reis. De toeristen pikken hun bagage op en verspreiden zich over enkele klaarstaande busjes. Binnen een paar uur passeert hier nog eens een vliegtuig.En dan zitten we plots midden in Afrika. Een lange weg in een groene vlakte, omringd door heuvels. Vrouwen zijn onderweg met hun kinderen of een bussel hout op de rug. Kinderen hoeden geiten en schapen. Mannen werken op het veld. De meeste mensen dragen wat wij lompen zouden noemen. Het zouden beelden uit het journaal kunnen zijn.
We logeren in hotel Yeha, deel van de Ghion-groep waar we onze kamer gisteren ook gereserveerd hebben. Was helemaal niet nodig geweest, blijkt nu. Plaats genoeg, ook in de enkele andere hotels. Eén geruststellende zekerheid: Yeha is destijds gebouwd in opdracht van Haile Selassie. De Derg hebben er een militair kamp van gemaakt, vandaag is het hotel de meest comfortabele en mooist gelegen verblijfplaats van Aksum. 50 dollar voor een kamer met badkamer: wij vinden dat niet overdreven voor logies. Er zijn in het stadje ook tal van spotgoedkope opties maar we zegden het al eerder: we kunnen ons comfort maar moeilijk missen, en we hebben voorlopig ook geen zin in Ethiopische spijzen.
Onze gids in Aksum heet Temesgen, ‘dank aan God’. Hij was de laatste van vijf kinderen, en daar waren zijn ouders heel dankbaar voor. Eerst neemt hij ons mee naar de stelae, de obelisken aan de rand van het stoffige stadje. Hier moet ongeveer 6000 jaar geleden de vroegste Ethiopische beschaving ontstaan zijn. De vooral in Europa gebruikte naam Abessinië is afgeleid van de Habashat, een van de Hammitische stammen die zich in de buurt van Aksum gevestigd hebben, met in hun zog de Agaze, de bedenkers van het Ge’ez, toen een spreektaal (naast Grieks en Sabees), vandaag het Latijn van de Ethiopische kerk. Tussen 200 voor en 700 na Christus strekte het koninkrijk Aksum zich uit tot in zuidelijk Arabië en werd het door historici tot de machtigste rijken in de wereld gerekend. Je kan het je vandaag nog maar moeilijk voorstellen. Gelukkig zijn er nog de stelae, de stille getuigen van een verhuld verleden.
Amper acht procent van alle stelae zou al uitgegraven zijn, in het noordelijke veld alleen staan 120 grote en kleine monumenten. Rank en ongenaakbaar rijzen ze op uit de grond. De strakke vormgeving, gestileerde deuren en vensters, oogt eigentijds. Iedere stele is uit één massieve brok graniet gehouwen, afkomstig uit een groeve vier kilometer verderop. Waren het engelen die de arbeiders geholpen hebben bij deze onmenselijke opdracht? Zat de Ark des Verbonds er voor iets tussen, amper honderd meter van hier opgeborgen in een kapel? Of hebben olifanten het zware werk uitgevoerd, met behulp van rollen en katrollen? Niemand die het zeker weet.
King Ezana’s Stele was volgens Henry Salt, de eerste buitenlander die hem ooit aanschouwde én beschreef (in 1805) ‘het meest perfecte en bewonderenswaardige monument van zijn soort.’ Hij staat er geweldig, 24 meter hoog, aan drie kanten mooi en vakkundig bewerkt, een imposante verschijning. Inderdaad, hoe hebben ze dat ding ooit recht gekregen? Ezana was de koning, later keizer van Aksum die in het jaar 330 door de Syrische monnik Frumentius bekeerd werd tot het christendom, dat was amper vijf jaar na het Concilie van Nice waar de fundamenten van het christelijke geloof in Europa werden vastgelegd.
De Grote Stele, 33 meter lang, het hoogste monolithische monument dat de mens ooit heeft trachten op te richten, ligt in enkele grote brokken op de grond. Zou dit een Ethiopische toren van Babel kunnen geweest zijn, waarvan de instorting de bekering tot het christendom heeft bespoedigd? Was hij misschien zelfs met dat doel gesaboteerd, zoals sommigen suggereren? Of was het gewoon hoogmoed van de Aksumitische bouwmeesters, letterlijk te hoog gegrepen?
De Rome Stele ben ik al eerder tegengekomen in mijn leven. Een rastaman van de Ethiopian World Federation (EWF), afdeling Londen, was midden jaren ’90 al druk in de weer met brieven, petities en benefiets. Met zijn nyahbinghigroep Drums of Rasta heeft hij toen ook een paar keer opgetreden in Antwerpen, vooral om de reggae massive bewust te maken van het probleem. De op een na grootste stele van Aksum (24,6m) moet ergens tussen de tiende en de zestiende eeuw in elkaar gestort zijn, de brokstukken werden in 1937 verscheept naar Italië, op uitdrukkelijk bevel van de fascistische dictator Benito Mussolini. Vreemd toch, hoe tuk die alleenheersers zijn op de wonderlijke verhalen en verwezenlijkingen van zogenaamde primitieve volkeren. Adolf Hitler zond onderzoekers uit naar Tibet en India, op zoek naar de wortels van het Arische ras.
De stele heeft tot 2005 op de Piazza di Porta Capena gestaan in Rome. Een oogwenk in het licht van zijn leeftijd misschien, maar de teruggave van het monument aan Ethiopië had alleszins een hoge symboolwaarde. De UNESCO had gehoopt de stele snel weer te kunnen oprichten maar bij nader onderzoek bleken er onder het terrein nog tientallen graven en catacomben te zijn en rezen er ook twijfels over de stabiliteit van de ondergrond. De brokstukken zijn goed gearriveerd in Aksum, op zich al een hele prestatie, maar liggen nu al twee jaar te wachten onder een afdakje. Nog altijd een redelijk indrukwekkend gezicht maar wat moet dat geweest om die kolos recht te krijgen in de eerste eeuwen van onze jaartelling?
Temesgen leidt ons ook naar enkele onderaardse gangen en kamers, even sober en massief ingericht als de stelae gedecoreerd zijn, met steenblokken zo groot dat je je afvraagt hoe ze die ooit hebben kunnen verslepen.
In het nieuwe Archeologische museum, amper voor de helft gevuld, zien we inscripties in Ge’ez, de liturgische taal van de Ethiopische kerk, en het Sabees, de taal van het legendarische land Saba, Sheeba in het Engels. De teksten zijn naar schatting 2500 jaar oud. De Aksumitische munten zeggen ons minder maar sommige zien er wel fantastisch uit, en de gids vertelt er mooie verhaaltjes bij.
Op weg naar de uitgang van het met golfplaten afgesloten terrein passeren we langs een prachtige boom, een paar knoestige, sinds mensenheugenis in elkaar verstrengelde stammen met een gezamenlijke voet, ondersteunen een groene explosie van trosjes kastanjeachtige bladeren. ‘Niemand weet wat voor boom het is,’ zegt Temesgen. Zou dat echt zo zijn? Zou geen enkele botanicus in heel de wereld deze machtige boom kunnen benoemen? En zou die boom dan ook niet omheind moeten worden, beschermd als wereldplantengoed of zo, zoals de stelae de status hebben gekregen van werelderfgoed?
Aan het poortje worden we al meteen opgewacht door een blinde man, de verwrongen ogen onbedekt, en een kleine jongen die hem begeleidt. We hebben al veel blinden gezien in Ethiopië. Een witte stok hebben ze meestal niet, en zeker geen hond, maar wel iemand die hen helpt en op de juiste weg houdt, meestal een jongen of een meisje uit de familie. Sommigen proberen er medelijden mee op te wekken en zo een paar birr los te krijgen.
Published on 30/10/2007 by Jah Shakespear
Comments
There are no comments.
You need to be registered and logged in to post comments.












