History
Ethiopia Calling Part 6: Happy Millennium!
We zijn op weg naar de Merkato, de markt van Addis Abeba, in een taxi die nog net niet uit elkaar lijkt te vallen. Grote bilboards beloven de bouw van schitterende woonwijken, als we de tekeningen mogen geloven even comfortabel en luxueus als eender welke Europese verkaveling.We zijn op weg naar de Merkato, de markt van Addis Abeba, in een taxi die nog net niet uit elkaar lijkt te vallen. Grote bilboards beloven de bouw van schitterende woonwijken, als we de tekeningen mogen geloven even comfortabel en luxueus als eender welke Europese verkaveling. We houden halt bij een huis waar enkele honderden mensen bij elkaar staan, de meeste een typische witte sjaal rond het lichaam, heel dun geweven. Bij het uitstappen horen we enkele vrouwen in het gezelschap luidkeels klagen en jammeren. Er is iemand gestorven, de gemeenschap rouwt. Drie, vier dagen gaat het zo door, zegt Zeruhin, voor en na de begrafenis. De mensen nemen samen afscheid.
Merkato, dat klinkt Italiaans, en het waren ook die de Italianen die hier in 1936 voor het eerst een markt geïnstalleerd hebben. Vandaag strekt de handel zich uit over vele tientallen straten en steegjes. Noem iets, en je kan het er kopen, in alle mogelijke uitvoeringen, afmetingen, stijlen, soorten en gewichten. De meeste ambachten en handelaars hebben zich gegroepeerd: de slagers zitten bij elkaar, de schoenenverkopers, de juweliers, groenten en fruit, kleding, kippen, muziek… Onnoemelijk veel mensen lopen af en aan, slenteren rond, doen een praatje, keuren de waren. We worden overdonderd door geuren, kleuren en andere impressies. Tailor Jems Bond. OK Jamaica Shoes. Reclame voor condooms. De overdekte markt, een grote hal die helemaal volstaat met stalletjes en winkeltjes, werd in de jaren ’50 ingewijd door (ook toevallig) Haile Selassie.
Hoe omnipresent de keizerlijke naam ook mag zijn, sommige ambtenaars slagen er niet in om hem correct om te zetten naar het Latijnse schrift. Haileselasi St. meldt een straatnaambord in de buurt van Piazza, de duurste wijk van de stad, ook al is daar naar onze normen maar weinig van te merken. Tal van juweliers en goudhandelaars, dat wel, en iets meer dure wagens (een stuk of vijf) maar ook hier hangt een dikke smog in de straten en kruipen poliosukkels rond met stukken afgesleten rubber rond de ledematen. Kinderen en blinde vrouwen smeken om een aalmoes. Zeruhin vraagt ons om niets te geven, of toch zo weinig mogelijk. ‘De kinderen moeten leren dat bedelen nergens toe leidt.’ Ik blijf het er moeilijk mee hebben.
Op het einde van Haileselasi Street zoeken we een plaatsje op één van de weinige terrassen in Addis, Beamlak Garden Café. We drinken er een goddelijk vers sap van mango, avocado en ananas, mooi in laagjes geserveerd. We zien, horen en voelen hoe de stad stilaan het nieuwe millennium begint te vieren. Vrouwen dragen stijlvolle etnische kleren. Herders leiden hun schapen de stad in, op weg naar de vaste verkooppunten voor dieren. De files worden almaar langer. Veel auto’s laten het groengeelrode gelegenheidsvlaggetje met het millenniumlogo wapperen: een koffieboon, tevens baarmoeder, tevens schild, alweer een beeld dat barst van de symboliek. In Ethiopië heeft alles zijn betekenis.
Om de hoek stoten we op een beeld van Ras Makkonen, in het midden van een hellend perkje. We zijn in het oudste deel van de stad en toch is er ook veel groen. Er zit dan ook geen enkele logica in het stratenplan van Addis Ababa, in de reisgids Lonely Planet terecht vergeleken met een reusachtige (250 km2) injera, de grote dunne deegschijf waar de Ethiopiërs de verschillende ingrediënten van hun maaltijd opleggen, meestal netjes bij elkaar geschikt.
Zeruhin moet nog een schaap gaan kopen voor het nieuwjaarsfeest. We rijden met een taxi naar een wijk waar tientallen grote en kleine kuddes schapen en geiten rondlopen. Kinderen, jongens en mannen houden de beesten in toom met touwen en stokken. De verkochte dieren worden zonder veel omhaal vastgemaakt op het dak van een auto of achter in een kar.
Vier kinderen zingen een nieuwjaarslied voor ons. Zo komen ze bij ons thuis ook aan de deur. Zo dicht staan we eigenlijk bij elkaar.
Die avond op straat. Nu is het nieuwe millennium pas echt begonnen, denk ik zeven jaar na het vorige. Honderdduizenden mensen zijn op de been. Overal weerklinkt getoeter, geschreeuw, gezang en muziek. Hoe dichter we bij middernacht komen, hoe uitgelatener het volk. ‘Dit heb ik nog nooit meegemaakt,’ zegt Zeruhin licht verbijsterd. Hij herhaalt het een keer of vijf, zes. Al dat spontane geluk geeft me tranen in de ogen. Heb ik al ooit zo’n vrolijke, blije massa bij elkaar gezien? Ja, op of na een voetbalwedstrijd misschien, maar nooit zoveel, en nooit zo Afrikaans. Ethiopisch, moet ik zeggen. Terwijl ik zo sta te kijken naar de volksvreugde besef ik voor het eerst ten volle dan dit een uniek land is. Eigen tijd (6 uur ’s ochtends is in Ethiopië 0 uur, 6 uur ’s avonds middernacht), eigen tijdrekening (2007 = 2000), eigen geschiedenis (het enige Afrikaanse land dat nooit gekoloniseerd is), eigen christendom, eigen muziek (zeer gevarieerd en radicaal verschillend van de muziek in alle omringende landen), eigen ras (veel noordelijke Ethiopiërs lijken het beste van de Afrikaanse, de Arabische en de Europese mens bij elkaar te brengen), geboorteplaats van Lucy, de oudste mens ter wereld, en van de koffie, thuishaven van de Ark des Verbonds, oorsprong van de Blauwe Nijl, Lalibela…: welk ander land kan zo’n indrukwekkend historisch en cultureel palmares voorleggen? Ik laat me gewillig meevoeren op de golven van enthousiasme die Addis Abeba overspoelen. Een man raadt mijn gedachten en roept ‘Be happy with us! Happy millennium.’ Een andere loopt ongegeneerd te zingen. ‘Babylon no good for us!’ Hij ziet mijn blik van herkenning en lacht.
Om middernacht barst het vuurwerk los, een paar kilometer verderop, in de tuinen van het Hilton. Grote groepen mensen reppen zich in die richting, wij blijven staan aan de rand van Meskel Square, waar een dj als eerste plaat van het nieuwe millennium een song van Ziggy Marley oplegt. Het immense plein is helemaal volgestroomd met auto’s en mensen, de feeststemming bereikt nu zijn hoogtepunt. Op Bole Road komt een groep krijgshaftig uitziende jongeren aangelopen, ritmisch stappend, stoppend en scanderend, als in een traditionele dans. Het is misschien maar een momentopname maar dit nieuwe millennium geeft de Ethiopiërs hoop, en dat hebben ze verdiend na al die jaren.
In het hotel volgen we de festiviteiten verder op tv. Een Amerikaanse dj speelt Bob Marley, One Love, Three Little Birds, Jammin’, No woman no cry ‘in the government yard in Addis’, improviseert hij erbij. Natural mystic, denk ik, maar dat speelt hij niet. In een andere zaal speelt een traditioneel Ethiopisch orkest, nog ergens anders houdt premier Meles Zenawi een toespraak. Top of the bill van het grote volksfeest (hoewel onbetaalbaar voor de gewone Tafari-met-de-pet) is Black Eyed Peas, de Amerikaanse rap- en r’n’b-groep aangevoerd door Will.I.Am en Fergie. Naar verluidt betaald door het Hilton en het Sheraton (wie anders zou het honorarium voor zo’n topgroep kunnen ophoesten?) geeft Black Eyed Peas een flitsende liveshow, een concert zoals ze dat hier maar zelden te zien krijgen, al was het maar door de naar Ethiopische normen zeer gewaagde outfits, teksten en danspasjes. Will begint nochtans ingetogen, met een akoestische uitvoering van Hotel California, geparafraseerd naar Ethiopië. ‘I’m from LA but I think I’m gonna be Ethiopian,’ zingt hij. En dat de Ethiopische vrouwen de mooiste van de wereld zijn. Zou hij dat overal zeggen? Anders kan ik hem daarin wel bijtreden. ‘Sexy’ zou ik de Ethiopische vrouwen nooit noemen, daarvoor zijn ze veel te ingetogen, maar daar draait het toch weer op uit bij Will.I.Am, die en passant nog wat reclame maakt voor zijn nieuwe plaat Songs for girls. Hoeveel stuks zouden er daarvan verkocht worden in Ethiopië?
Published on 26/10/2007 by Jah Shakespear
Comments
There are no comments.
You need to be registered and logged in to post comments.












