History
Ethiopia Calling Part 4: the Lion of Judah
We bewegen ons opnieuw in het zinderende straatleven. Er hangt een verstikkende smog in de straten, ook al lijken de Ethiopiërs daar nauwelijks last van te hebben.De vervuilers zijn auto’s, taxi’s (veelal Lada’s), minibusjes, autobussen (meestal van de Belgische constructeur Jonckheere) en vrachtwagens zoals die in Europa al enkele decennia niet meer op de weg mogen. De passage van een dure 4x4 is in Addis Ababa zowaar een verademing. Maar het werkt wel, het Ethiopische vervoersysteem. De ontelbare taxi’s en minibusjes, hoe gammel ze ook rijden, zijn zowat permanent onderweg. Voor een taxi betaal je een paar tientallen birr (10 birr is ongeveer 1 euro), voor een plaats op een busje een paar birr. Wel eerst goed luisteren welke bestemmingen de woyala uitschreeuwen, de conducteurs van de busjes. Comfortabel zitten is er meestal niet bij, maar daarvoor zijn er de gele taxi’s, hoewel die dan weer aanhoudend onderweg zijn tussen het vliegveld en de spaarzame dure hotels. Het is even wennen aan de onorthodoxe rijstijl van de Ethiopiërs maar algauw besef je dat achter het uiterlijke spektakel van toeterende, kerende en wendende auto’s een grote eensgezindheid heerst onder de chauffeurs. Het is een constant gevecht op de weg maar door de lage snelheden (veel auto’s kùnnen niet meer sneller dan veertig) en het organische samenspel van de wagens raakt iedereen toch waar hij moet zijn, meestal ook nog redelijk op tijd.
In de taxi naar het hotel weerklinkt als overal en heel de dag in dit land Ethiopische muziek. Alleen in Jamaica heb ik ooit zoveel muziek van eigen bodem gehoord, op geen enkel moment onderbroken voor pop, rock of andere westerse klanken. Een vrolijk danslied wordt abrupt onderbroken. ‘Hello, this is Will.I.Am from Black Eyed Peas.’ De Amerikaanse groep treedt morgenavond op als hoofdact van het grote millenniumfeest.
Een kind drukt zijn snotneus tegen het raam en kijkt met een verdrietige blik recht in mijn ogen. Ze gebaart naar de vrouw die ze bij de hand leidt, oud en blind, de ogen leeg en vuil, het schrale lijf gehuld in lompen. Ook aan de andere kant van de taxi steken een paar kinderen de neus aan het venster. Smekend houden ze hun hand open. Dan wordt het groen en rijden we door. Gered door de bel.
Overal in de stad wapperen groengeelrode vaandels en vlaggen. Niet met de Leeuw van Judea, het wapen van Haile Selassie en onder zijn bewind een integraal onderdeel van de nationale vlag, maar met een blauwe ster, of gewoon zonder afbeelding. De drie kleuren zijn me na al die jaren zo lief geworden dat ik me soms in een droom waan. En kijk, daar staat de Leeuw van Judea, Moa Anbassa, dan toch, op de hoek van Gambia Street. Het beeld werd opgericht in 1930, om de kroning van Selassie luister bij te zetten, en gestolen in 1935, door de Italianen natuurlijk, die het in Rome naast het Vittorio Emanuelle monument plaatsten. Een jonge Eritreeër (zijn vaderland maakte tot midden jaren ’90 deel uit van Ethiopië) verwondde er in 1938 een vijftal officiers en verwierf zo op het thuisfront een heuse heldenstatus. De Italiaanse regering bezorgde de Leeuw van Judea in de jaren ’60 terug aan Ethiopië. De Mercedes-ster onder de leeuw is hier het symbool van de Heilige Drievuldigheid.
Het Yekatit 12 monument aan Siddist Kilo, tussen het Etnologisch en het Nationaal Museum, is gewijd aan de nagedachtenis van de meer dan 20.000 onschuldige Ethiopiërs die in 1937 werden afgeslacht door Italiaanse soldaten, als vergelding voor de mislukte aanslag op gouverneur Graziani op 19 februari. De driedaagse moordpartij staat in brons afgebeeld op de onderste helft van de marmeren obelisk.
Vlakbij is een parkje met een primitief kermisje en een zieltogend leeuwenverblijfje. Er zitten inderdaad een paar echte leeuwen in de kooien, maar van Judea komen ze alleszins niet. Alle trots, kracht en fierheid is uit hun lijven verdwenen. Ze hebben zich geschikt in het naargeestige lot dat hen te beurt is gevallen, in kleine kooien te kijk liggen voor een altijd weer ontgoocheld publiek. Een restaurantje in de buurt noemt zichzelf Moa Anbessa, de Leeuw van Judea, maar die machtige leeuw is hier ver weg
Die avond eten we in de Zebra Grill, een restaurant op de negende etage van een kantoorgebouw, smaakvol etnisch ingericht, met een goede Europese keuken, verzekert Zeruhin ons. We hebben Zeruhin leren kennen via internet en hij heeft ons in Addis met open armen ontvangen. Hij weet ook dat het nog veel te vroeg is om al in de Ethiopische keuken te duiken en is blij dat hij ons dit etablissement kon aanbevelen. Voor het eerst sinds onze aankomst in Addis zien we weer eens blanke medemensen. Onze verblijfplaats, het eenvoudige Bisrat Hotel in het zuidelijke stadsdeel Ledetta, heeft ook een restaurant maar daar blijft het menu Foreign Dish beperkt tot lasagne, rijst en pasta met groenten-, tomaten- en bolognaisesaus.
De kamers in Bisrat zijn sober maar netjes ingericht. Ze hebben zelfs een douche, ook al komt er maar een dun straaltje warm water uit. Het raam kijkt uit over een rommelig allegaartje van loodsen, braakliggende gronden, lemen huisjes met golfplaten daken, een berg bouwafval, een paar ruwbouwen met houten stellingen rond, een halfopen werkplaats en een hobbelige zandstraat. Een grote, beige hond kijkt ongeïnteresseerd naar enkele passerende geiten.
Op de kleine tv kunnen we twee zenders bekijken, het plaatselijke ETV, het enige Ethiopische kanaal, en Mnet, een zender die Amerikaanse films en series lardeert met Afrikaanse evenementen (de African Music Awards) en geleende formats (Big Brother Africa). Geen honderd satellietzenders en toch programma’s die je thuis nooit te zien krijgt: heel soms kan televisie je toch nog verrassen.
Published on 22/10/2007 by Jah Shakespear
Comments
There are no comments.
You need to be registered and logged in to post comments.












