Ganja Corner
De eerste keer: smoking my ganja
Smoking my ganja was al één van mijn favoriete songs voor ik zelf ooit had geblowd (dat woord bestond toen trouwens nog niet). Pas nadat ik Capital Letters, de groep van de song, live had gezien, achtte ik de tijd rijp voor mijn eerste spliff. (Highlife)
Ik heb wiet altijd ganja genoemd. Voor ik de reggae ontdekte, wist ik amper wat wiet was. Drugs. Iets onwettigs. Iets waar je ver vandaan moest blijven. Iets waarvoor een klasgenoot van school was gezet. Ik kon me niet voorstellen dat ik ooit 'drugs' zou gebruiken. Daarvoor moest je toch wel een ongelooflijke oen zijn?
Maar toen kwamen de rasta's in mijn leven. I love marijuana zong Linval Thompson op één van mijn allereerste lp's. Excuse me while I light my spliff: de bekendste zin uit Bob Marley's Kaya. Wat trouwens een ander woord is voor ganja, maar dat wist ik toen nog niet. Spliff: dat vond ik wel een lekker woord. Collieweed is the healing of the nation: een geweldige tune van Trinity. Het staat in de bijbel, deejayde hij: wiet is door Jah geschapen ter heling van het hele volk. Legalize it van Peter Tosh: het grote anthem van de legaliseringsbeweging.
Algauw kwam ik erachter dat zowat iedere Jamaicaanse artiest minstens één nummer over ganja heeft gemaakt. In geen tijd had ik een paar tientallen ganja tunes in huis, onveranderlijk odes aan het heilige kruid dan wel verhalen over arrestaties en controles. Je zou van minder nieuwsgierig worden.
De leukste meezinger was Smoking my ganja, van de Engelse band Capital Letters. I'm a wanted man/Running away from the poli
ce man/They want to charge I/For smoking my ganja. Het nummer stond op een 12” maxi-single, met een zalig lange dub er achteraan. De track is ook een echte klassieker gebleken, die tot vandaag gedraaid wordt in de Europese dancehalls.
Capital Letters was één van de eerste reggaegroepen die live kwam optreden in België. Ik had Steel Pulse al gezien, mijn allereerste reggaeshow (in Antwerpen) èn Bob Marley, in Vorst Nationaal (Brussel). Twee keer niet geblowd.
Bob Marley heb ik samen met mijn neef gezien, Walter. Ik rookte in die dagen al wel gewone sigaretten maar had liefst dat mijn ouders dat niet te weten zouden komen. Achttien jaar en nog geen sigaretje durven opsteken: dat waren inderdaad nog andere tijden. Ik vroeg Walter of hij alsjeblieft zijn mond zou willen houden tegen de familie. Ik had geen zin in moeilijke discussies en conflicten. 'Zou je tegen niemand willen zeggen dat ik af en toe een sigaret rook?'
'Als jij tegen niemand zegt dat ik af en toe een joint rook,' antwoordde Walter. Een joint! Ik kende het woord intussen maar kon amper geloven dat mijn bloedeigen neef zo'n ding op zak had. Enfin, ik heb Walter die avond pas teruggezien na het concert, op een nog hogere wolk dan ikzelf.
En zo stond de melk stilaan wel heel dicht bij de kat. Toen ik Walter een paar weken later thuis bezocht, toonde hij mij zijn eigen kleine plantage, boven op zolder. 'Mijn vader blowde vroeger ook,' zei hij. 'Liever eigen kweek dan onbekende stuff.' Ik durfde het nog niet aan om mee te blowen maar de geur was heerlijk, zowel die van de bloeiende planten als die van de rook die Walter uitblies. Hij deed ook helemaal niet vreemd of zo, toch niet vreemder dan anders. 'Nu ben ik echt wel stoned,' zei hij na twee spliffs. Ik zag zijn bloeddoorlopen ogen maar voor de rest leek Walter nog perfect te functioneren. Waren dit nu de 'drugs' waar zo hysterisch over gedaan werd?
Toen kwamen Capital Letters. Wij weer naar Brussel, de AB dit keer. Geweldig concert, vette vibes, en als hoogtepunt natuurlijk die geweldige song, Smoking my ganja. 'Je zou van minder zin krijgen,' zei ik tegen Walter. 'Trekje?' reageerde hij, en bood me zijn spliff aan. 'Nee, dank je,' zei ik na enig aarzelen. 'Ik moet nog rijden. Wie weet wat doet dat spul met mij.' 'OK, straks dan, als we weer thuis zijn.'
Na middernacht, en alles is rustig in de woonwijk. De volle maan verspreidt royaal veel licht. We wandelen naar een braakliggend stuk grond en gaan boven op een zandheuveltje zitten. Walter rolt een spliff, steekt hem aan en geeft hem door. 'Diep inhaleren, en dan langzaam weer uitblazen.'
Ik doe wat hij zegt. Er gaat geen nieuwe wereld open. Ik zie geen roze olifanten of beelden als vloeistofdia's. Ik begin niet te lachen en val ook niet achterover. Ik verlies niet de controle over mezelf, voel me niet misselijk, niet fundamenteel anders, niet suf of in alle staten. Rust en helderheid, dàt is wat ik voel. Het besef dat ganja bij me past, veel meer dan alcohol. Als dit drugs zijn, wil ik drugs gebruiken. Maar zo heb ik ganja dus nooit genoemd. Ik wist vanaf de eerste trek dat wiet geen echte drug is, geen verdovend of verslavend middel, wel een geestverruimer, inderdaad: een geschenk van Jah ter genezing van de mens.
Ik heb sinds die eerste spliff nooit meer teruggekeken. Alcohol heb ik uit mijn leven gebannen, andere drugs geprobeerd maar één keer volstond om te weten dat ganja de enige drug is die eigenlijk geen drug is.
(Eerder verschenen in Highlife)
Published on 17/05/2009 by Jah Shakespear
Comments
You need to be registered and logged in to post comments.












